Het schip
In 1998 verkochten wij, na 15 jaar gelukkige vaart, ons polyester schip, de “Wing III”, een Standfast 30. Tegelijkertijd kochten wij een ander schip, een kotter getuigde Koopmans 40, bouwjaar 1990, van aluminium en met een zgn. zwenkkiel, waarmee we twee “diepgangen” verkregen: 1.10 m en 2.20 m en alles wat daartussen zit. Een mooi schip, goed gelijnd en met fijne vaareigenschappen, geen “comfort-container“, maar wel precies het schip zoals wij ons dat altijd hadden gedroomd. Na de overdracht eind juli 1998 namen we de gelegenheid te baat nog even gauw twee weken met vakantie te gaan om het schip uit te proberen. Wij wilden naar de Engelse oostkust. Door weersomstandigheden kwamen we niet verder dan Nieuwpoort, België. Op de terugweg raakte de kraan van de stuurboord watertank verstopt. Terug in Edam bleek dit te worden veroorzaakt door een vergaande “putcorrosie” in de drie watertanks als gevolg van een verkeerde behandeling ervan door de bouwer. In elk van deze tanks maakte één wand deel uit van de romp. Dit was een grote tegenvaller. Na het plengen van (veel) tranen op het aluminium(poeder) en na raadpleging van een groot aantal deskundigen, besloot ik de tanks uit het schip te slijpen, nieuwe van roestvrijstaal te laten maken en de corresponderende delen van de romp te laten vervangen door gezonde stukken aluminium.
Bij Slot Jachtbouw BV in de steigers
Dat betekende een winter met een tamelijk gevuld werkschema: elk weekend was ondergetekende “eating aluminiumdust” (zelfs tijdens de kerstdagen en met “Oud en Nieuw” ben ik aan het werk geweest). Het specialistenwerk (tanks, nieuwe platen en spanten ter plaatse van de tanks in de romp) is tenslotte in het voorjaar van 1999 tot grote tevredenheid uitgevoerd door Slot Jachtbouw BV te Monnickendam. In april kon de “Wing IV” weer te water, de mast erop en het zomerseizoen tegemoet.
De Vakantie
Zaterdag, 24 juli 1999.
Het is zover. Wij gaan op vakantie, met de boot, ons “nieuwe” schip: de “Wing IV”. Het is een spannende tijd geweest, de voorbereidingen in de winter voor de reparatie, de reparatie zelf. Maar nu is ie af, klaar voor het grote werk. We zijn van plan om deze zomer gedurende vijf weken de Engelse zuidkust af te struinen. Het is niet voor de eerste keer, maar misschien nu welvoor de laatste keer (voorlopig), dat wij in ieder geval met dit schip de bekende plekjes willen opzoeken om “te voelen hoe het is” met een variabele diepgang de vertrouwde ankerplekken af te gaan en ons misschien verder te wagen dan we vroeger konden of durfden. En Zuid Engeland blijft natuurlijk een prachtige kust om te bezeilen. Wij willen proberen in zo kort mogelijke tijd zo ver mogelijk te komen (Scillies?) en dan rustig aan terug. Kaarten en boeken voor de oostkust zijn aan boord voor het geval de wind zuidwest blijft. Het is 06.15 uur. De hemel is al blauw. De laatste spullen gepakt. Afscheid nemen van Linda en Marijn, die we voor dit doel wakker moesten maken. Wij doen als eerste klanten de laatste boodschappen bij Deen in Edam. Naar de boot, een boel spullen gestouwd, water getankt. Ik weer in de auto naar Ilpendam, de garage in, Linda voor de tweede keer wakker gemaakt om nogmaals “doei” te zeggen. Marijn was al naar zijn werk. Op mijn vouwfietsie (aanslag op de geslachtsdelen!) op weg naar Edam, langs mijn moeder voor een afscheidskus en om de “Margriet” op te halen. Na 40 minuten (wind mee) weer op de haven. Het is er nog rustig; geen lid te zien. Om 10.45 uur glijdt de Wing IV achteruit uit haar box en met een windje 3 Beaufort onder genua I en grootzeil zeilt zij gemoedelijk naar Schellingwoude. De zon schijnt en het zal vandaag 24° C worden. In de Oranjesluis ramt een vriendelijke medewatersporter ons van achteren. Hij kraakt de plastic kap van onze bubo-motor. Dank u. Om 16.45 uur bereiken wij zonder verdere schade met nog een 15-tal jachten de IJmuidersluizen. Deze passeren we vrij vlot, waarna de zee van ons is, want iedereen duikt de Marina in terwijl wij doorgaan naar Scheveningen. Van zeilen kwam, ondanks de voorspellingen van een windkracht 3 tot 4 Bf., niet zoveel terecht; de wind liet het afweten. De giek werd midscheeps gesjord en de genua opgerold. Mr. Perkins deed vervolgens het werk. Wij arriveerden, moe maar voldaan vanwege de afgelegde dagafstand (ruim 55 mijl inclusief sluizen, bruggen, etc.!), in de vissershaven van Scheveningen (de jachthaven was mudjevol) en vlijden onszelf om 22.00 uur tegen een stalen Colin Archer van een meter of twintig aan. We konden de kant niet op vanwege te gevaarlijk klimwerk over de CA en een motorjacht van een meter of 30 lang met een tamelijk ongastvrij hoog vrijboord. Onze behoefte om dat te doen was ook niet zo groot; we zochten direct onze kooi op.
Dit moet Scheveningen zijn
Tweede dag, zondag 25 juli 1999.
Na heerlijk te hebben kunnen uitslapen gooien we de landvasten om 06.30 uur los en stomen de haven uit, op tijd om de volledige stroom zuidwaarts mee te hebben. Wij zijn niet de enigen. Zeilend bereiken wij de Maasvlakte Noord boei. De oversteek van de geul voor Hoek van Holland levert geen problemen op. Bij de Rood Witte boei voor het Slijkgat gaat de motor weer aan; we maken op dat moment te weinig vaart om nog ergens te komen. Oostende Radio had wind 3 tot 4 Bf uit het noordoosten voorspeld. Wij hadden kunnen weten dat hij dan uit de tegenovergestelde richting zou komen. Niet getreurd: het zicht was goed, de zon scheen en we genoten van de zee, ons leesvoer, puzzels, oefenen met de radar en de koffie. Ondanks dat had ik het gevoel dat ik op tijd in m’n box moest liggen. Wij wilden eigenlijk naar Nieuwpoort; het zal dus wel Blankenberge worden. Maar, verdomd, de wind ruimde aan het eind van de middag van zuidwest via noordwest naar noordoost en nam in kracht toe tot 6 Bf. Kregen die Belgen toch gelijk (wat de windrichting betreft dan)! Ook de Nederlandse kustwacht gaf “Gale 6” uit oostelijke richtingen op. Precies op de grens tussen Nederland en België (ter hoogte van Knokke of zo) kreeg ik Linda nog even aan de lijn op onze “priepeet” GSM. En zo kwamen we dan toch, met ruim 90 zeemijlen en 9 motoruren meer op de teller, circa 21.30 uur in ons geliefd Nieuwpoort aan.
Derde dag, maandag 26 juli 1999.
Vandaag zijn we helemaal vanuit onze box bij de VVW naar de tankboot van Free Legein (zo heet ie!), in het centrum van Nieuwpoort gevaren en weer terug. Het blijkt dat onze brandstoftanks ieder 165 liter kunnen bevatten, totaal dus 330 liter. Niet gek. Wij rekenen in totaal 240 liter af waarvan, naar ik vermoed, 225 liter in de tanks terecht is gekomen (de rest dreef, via het gangboord en langs de romp, met de eb richting Noordzee; Free kijkt niet zo nauw met pompen en als je er iets van zegt, kijkt hij je glazig aan, zo van: “manneke, waar zevert gij over? Het is toch een organies spulleke, gij zulle?”). Als we weer in onze box bij de VVW liggen klaart het op en breekt de zon door. Maar ook de wind zet door: van 6 naar 7 Beaufort uit het noordoosten. Dit stimuleert ons een (gammel) fietsje te pakken bij het havenkantoor en om de haven heen naar de boulevard te trappen. Ik moet nog een lierhendel hebben, want we denken dat er één uit de kuip is gejat; hij is in ieder geval niet meer te vinden. Bij Westdiep Ships Chandler een hendel in m’n handen gehad; gauw weer laten vallen, kost ƒ 100,=, ben niet gek! Op de pier gekeken: diverse schepen die toch nog naar buiten gaan, komen alras terug: er kunnen rare grondzeeën op de bankjes staan. Wij gaan lekker met z’n tweetjes op een beschut terrasje zitten in de zon; een uitsmijtertje met frietjes en Belgies bier (Ingeborg neemt cassis). Voor de rest van de middag liggen we in de kuip te zonnen, slapen, lezen, bootjes kijken en nootjes eten. Ik heb ook de looplijnen maar eens even aangebracht, nadat ik mij een ongeluk heb lopen zoeken naar die koleredingen. Kortom, een fijne vakantiedag.
Vierde dag, dinsdag 27 juli 1999.
Om 06.00 uur worden wij een beetje huiverig wakker, het is fris en je voelt de noordooster al weer aankomen. De Nederlandse Kustwacht geeft op de Navtex aan dat het vandaag in onze omgeving gale 7 zal worden. Dat is lekker! Wij hebben echter niet het idee dat het al erg hard waait en we hebben verdomme toch een Koopmans? Bovendien is de wind op de kont, het moet dus kunnen. Wij besluiten te gaan. In de haven hijsen we 06.30 uur de zeilen met één reef in het grootzeil. Ik kloot een beetje met de reeflijnen, daar moet ik nog eens naar kijken. Onderweg schiet uit het blokje aan de tweede zaling een lijntje van de stuurboord lazyjack los. Onder 1 x gereefd grootzeil en kotterfok “scheurt” de Wing IV via de Trapegeer en de Passe de Zuydcoote naar Duinkerken, want daar gaan we naar binnen. “La mer est agitée” maar de Wing IV kan het hebben! Moeiteloos pakt zij de golven en wat ik vooral belangrijk vind is dat zij niet direct uit het roer loopt als je dat even los laat. Bij ruime koersen is het echter toch wel aan te bevelen de zwenkkiel, afhankelijk van de zeegang, gedeeltelijk of geheel naar beneden te draaien om het slingeren tegen te gaan. Overigens moet ik, tot mijn eigen teleurstelling, voor diegenen die daar een andere voorstelling van hebben, wel zeggen dat een helling van 30 of 40 graden op een 40 voeter in de kajuit relatief dezelfde rotzooi (dus meer!) veroorzaakt als op een 20 voeter! De wind blijft toenemen en is 7 Bft als we reeds om 09.00 uur (!) de havenhoofden van Duinkerken passeren. De eerste jachthaven aan bakboord is ons doel; wij vonden het daar twee jaar geleden al prettig, dus gaan we daar weer heen. En wie ligt daar comfortabel in een box? Juist, de Roots Runner van Bart en Lies Root. Bart en Leen, een vriend met wie zij opvaren, helpen ons bij het afmeren in een box aan een steiger achter hen. Het poeiert intussen! Ik heb het gevoel alsof ik er al een hele dag heb opzitten, met als natuurwetmatig gevolg dat Ingeborg en ik reeds om 11.30 uur biertjes en Orangina zitten te hijsen in de Port de Plaisance du Grand Large (= havenkroeg).
Vijfde dag, woensdag 28 juli 1999.
Nog steeds harde wind 7 Bf. Tijdens een wandeling naar de boulevard kwamen we langs een schoenenwinkel alwaar ik een paar Nike-Air-Jerusalem schoenen heb gekocht (Jezus sandalen), want de (sport)schoenen die ik aanhad maakten mij gek van de hitte en Ingeborg van de stank. Des middags zijn we, met frisse voeten, wezen buurten bij Bart en Lies. Zij zijn met hun kennissen ook op weg naar de overkant. Joep en Ina, die geruime tijd in een familie groepsgebeuren waren betrokken in Blankenberge, zijn afgelopen zondag al doorgevaren naar Dover. Verder is het wel een zonnige dag, lekker gefietst in de omgeving van Duinkerken. Het land is plat, doet Belgisch aan. Het heeft toch wel iets. Een paar terrasjes gepakt in het centrum van Duinkerken. Morgen gaan we.
Zesde dag, donderdag 29 juli 1999.
Niton radio (Navtex) geeft 3 tot 4 en later 4 tot 5 Bf uit het noordoosten op; fraaier kan het niet worden. Het is 06.00 uur als we opstaan, om 07.00 uur willen we varen in verband met de stroom. Maar eerst ga ik om 06.15 uur Bart en Lies toch maar even uit hun nest hijsen en wijzen op het feit dat dit toch wel een uitgelezen kans is om samen met hun vriend Leen, die met zijn vrouw een grote platbodem vaart, ook naar Dover over te steken. Zij waarderen mijn initiatief zeer (later!). Eenmaal buiten staat er vanwege de harde noordoosten wind van de afgelopen dagen een tamelijk bokkige zee. Door de afgenomen bakstagwind viel er weinig te zeilen en bij het Dunkerque lichtplatform waren wij het slaan van de zeilen zat en werd de motor aan het werk gezet. Om ons heen zagen we veel schepen die uit Duinkerken waren vertrokken en ongeveer hetzelfde gedragspatroon vertoonden. De skyline op de kust kunnen wij zo langzamerhand wel dromen: de hoogovens van Duinkerken, de grote voorhaven, de kerncentrale van Gravelines en in de verte de vage contouren van Calais. De oversteek over de beide shipping lanes in de Straat van Dover leverde geen enkel probleem op; het zicht was optimaal en op de diverse vrachtschepen was uitstekend te anticiperen. Eenmaal de “Southwest going Lane” overgestoken nam ter hoogte van de South Goodwin de wind weer toe tot een dikke 5 Bf. Met de Genua 1 en het grootzeil ongereefd bereikten wij snelheden van 7 tot 8 knopen door het water. Vlak voor Dover achterom kijkend zagen we Bart en Leen onder vol tuig aan komen scheuren! (Volgens mij moeten zij hun motor “full throttle” d’r bij hebben gehad, anders kón dit gewoon niet!). Kort daarvoor hoorden wij hen over de marifoon communiceren met de Impuls die vandaag uit Dover was vertrokken op weg naar Brighton. In Dover gearriveerd, en na bekomen te zijn van de schrik over de haventarieven, gingen Ingeborg en ik lekker wandelen, bankje zitten, dorpsgekken bekijken, ijsje eten, “pint” (=lauwe pis) pakken. Ik moet zeggen dat Dover een keurige plaats is geworden. Eindelijk zijn de gevels geschilderd, de straten netjes geplaveid, de boulevard klaar, nieuwe jachthavens, een luxe winkelgalerij, een lust voor het oog! De volgende dag gaan we verder naar het westen. Bart en Lies blijven nog wat in Dover.
Zevende dag, vrijdag 30 juli 1999.
Om 05.00 uur (BST) gaat de wekker. Het was niet nodig: wij waren al wakker. BBC 4 en Niton radio geven 3 tot 4 Bft NE op. Het doel van vandaag is in de buurt van Wight te komen; ik denk aan Chichester Harbour, daar kun je goed en gratis ankeren. Het is wel een eindje: aan het eind van de dag zal blijken dat wij 100 zeemijlen hebben afgelegd. Dat wordt dus motoren, want de wind voor Dover leek eerst wel wat maar even verderop, voor Folkestone, viel ie weer weg. Om 08.00 uur hebben wij Dungeness dwars aan stuurboord. De zee is vlak. Afgezien van het motorgeluid, dat dankzij de goed geïsoleerde motorruimte best meevalt, hebben we een rustige tocht die bestaat uit lezen, knutselen, kijken, zonnen, sex, radar oefenen, kijken, foto’s maken enzovoorts.
Ter hoogte van de ver in zee staande Royal Sovereign, een imposant lichtbaken op een vast platform, waar ik 11.50 uur vlak langs stuurde om ‘m eens goed te bekijken en te fotograferen, kregen wij voor het eerst marifooncontact met Joep en Ina. Zij waren gisteren vanuit Dover in de betrekkelijk nieuwe jachthaven van Eastbourne terechtgekomen en nu op weg naar Brighton. Wij spraken af samen te proberen Chichester Harbour te bereiken. Na Beachy Head begon de wind weer aan te trekken, maar om toch in de buurt van Joep te komen, dus vóór donker Chichester Harbour te halen, hield ik de motor erbij, zodat we 7 tot 8 knopen over de grond liepen. Op die manier kwam ik vlak voor de Eastborough head boei (17.30 uur) bij de Impuls. Het was 18.30 uur toen wij de Boulder Street boeien dwars hadden en 20.00 uur “kwamen wij genoeglijk ten anker” noordelijk van Easthead in Chichester Harbour. Er lagen nog wat andere schepen, maar verder was dit een rustige ankerplek in een schilderachtige omgeving. Heel genoeglijk, want we dronken een biertje bij Joep en Ina aan boord. Voor dat doel had ik onderweg, vlak voor het binnenlopen van Chichester harbour aan dek de bijboot opgeblazen, een handig klein dingetje. Bij Joep gezeten werd deze zowaar gebeld door Hans Surie, die vroeg hoe het ging. Heel leuk en heel genoeglijk allemaal. En wat een mooie spullen heeft Ina van Joep voor d’r verjaardag gekregen, zeg! (Ik doel hier natuurlijk op die mooie radar en de high tech navigatiecomputer en dergelijke!).
Achtste dag, zaterdag 31 juli 1999.
Om 06.30 uur uit de kooi, opruimen, ontbijten in de kuip, ik even naar het strand geroeid, langs de waterlijn gestruind, schelpen en zonnebrillen verzameld. Fantastisch weer inmiddels: zon, warmte, dit is pas vakantie! Met Joep en Ina overlegd; wij stappen even af van onze “race naar het westen” en gaan op ons gemak naar Cowes op Wight om boodschappen te doen en daarna naar Newtown, een soort delta en tevens natuurgebied op Wight (om een idee van de afstand te krijgen: van Cowes af is dat ongeveer hetzelfde als van Edam naar Hoorn) waar je alleen kunt ankeren. Het is 09.45 uur als de Impuls en de Wing IV anker op gaan (dat is een feest met zo’n electrische lier, kan ik je wel vertellen! Zeker met míjn rug!). Terwijl wij Chichester Harbour(spreek uit: tjitjester harber) verlaten experimenteer ik met het op zo’n efficiënt mogelijke wijze vervoeren van de bijboot zonder deze te moeten laten leeglopen. De beste en eenvoudigste manier blijkt om hem met de sleeplijn en een vanglijn aan de spiegel zo hoog mogelijk dwars tegen de hekstoel te hijsen met een of twee stootwillen ertussen. Daarna de zwemtrap als steun eronder tegenaan trekken. Dit is telkens een werkje van twee minuten. Het neerlaten en uitvieren gaat nog rapper: duurt nog geen minuut. Ach ach, wat een mens allemaal niet bedenkt! De wind is west tot noordwest en houdt aan kracht niet over: 2, soms 3 Bf, soms ook blak. Met het grootzeil omhoog motoren wij met een matige gang dicht onder de kust van Wight over de Solent richting Cowes. Daarbij passeren wij Ryde, Wootton Creek en komen langs Osborne House, het favoriete verblijf van koningin Victoria, waar zij ook overleed. Een bezoek waard. Wij blijven het allemaal even mooi vinden, hoe vaak wij er ook langskomen (het zal nu de vijfde of zesde keer zijn). Vanuit de verte kon je al zien, hoe krankzinnig druk het op de rede van Cowes was; niet alleen is het weekend en prachtig weer, maar start vandaag ook nog eens de Cowes Week… Zigzaggend varen wij 13.00 uur de Medina op. Het is een gekrioel van jewelste. Het stroomt als een gek, maar zonder schade leggen wij clandestien aan op een drijvende steiger zonder verbinding met de wal, aan de oostkant van de Medina rivier, even voorbij het centrum van Cowes. Ina, Ingeborg en ik gaan in ons rubbertje naar de overkant (West Cowes) voor de boodschappen. Ik leg, eveneens clandestien, aan bij de Cowes Corinthian Yachtclub en blijf op de steiger (en aan de bar) rondhangen, terwijl Ingeborg en Ina “are doing their thing”. Eenmaal met de boodschappen terug aan boord, blijkt Joep de havenmeester, die voor het vastmaken £ 4,= per schip wilde vangen, op onnavolgbare, “Steenmanniaanse” wijze met een goed gesprek en een blikkie fris te hebben afgepoeierd! Circa 14.00 uur: gauw weg, voor ie gaat nadenken en terugkomt, door de gigantische heksenketel heen naar buiten.
het is daar druk, op de Solent
Daar blijkt de drukte nog erger. Meer dan 1000 (duizend!) schepen mieren door elkaar heen. Niet te beschrijven, dit moet je echt gezien hebben om te geloven! Richting Newtown gaat de koers letterlijk dwars door velden voor de wind startende jachten die in cohorten vanuit stilstand met de spinnaker reeds omhoog letterlijk worden gelanceerd. Er omheen gaat niet, er doorheen crossen dus maar! Heelhuids bereiken wij 15.30 uur Newtown, waar het tamelijk druk met ankeraars is. Niettemin vinden we tussen hen een plekje à £ 5,=, welk bedrag door een soort boswachter te water wordt opgehaald. De bemanning van de Impuls komt bij ons een borreltje drinken en de tocht van vandaag evalueren. Des avonds, Joep heeft zijn bootje ook opgepompt, met de bubo’s de rivier op naar Shalfleet Quay en vandaar een lange wandeling door de prachtige omgeving landinwaarts, naar waar een pub moet zijn. Die vinden wij en we drinken een pint en een wijntje en een bitter lemon op het goede leven en hop, in het donker weer terug. Joep, die overal aan denkt, had een zaklamp bij zich voor onderweg. Vermoedelijk daardoor maakten wij geen brokken want het lijkt wel of Ingeborg en ik een beetje nachtdoof zijn.
Negende dag, zondag 1 augustus 1999.
Joep boft: voor het eerst van zijn leven valt hij droog. Als ik mijn kop buiten het luik steek zie ik dat de Impuls, bij een inmiddels alweer opkomend tij, tamelijk scheef hangt.
Joep “aan de grond”
Het is niet zo comfortabel, maar ook weer niet dramatisch. Ik moet mij haasten om er, in het bootje manoeuvrerend, nog een redelijk interessante foto van te maken. Alles komt in orde, dankzij, neen, ondanks Joep z’n ankergerei. Je wil het niet geloven, maar Joep ankert met een touwtje van 10 mm dik of zo! Joep zegt dat het een speciaal touwtje is. Ik kon het niet laten daar een opmerking over te maken (ik maak me al druk dat ik 40 meter ketting van 8 mm heb in plaats van 60 meter ketting van 10 mm!). Maar ja, dan moet je Joep hebben. Hij kijkt je aan met een blik van: zal ik ‘m nu meteen terugpakken? Hij doet dit echter niet, doch toont zich hardop quasi gekwetst en vol onbegrip voor het onbenul waarmee de opmerking werd geplaatst. Hij heeft het gelijk aan zijn kant: na de vakantie hebben de Samadé, de Roots Runner, de Wing IV en de Impuls (samen toch gauw goed voor een ton of 35!) een hele middag voor Edam aan lagerwal aan dat ene touwtje gehangen en het gaf geen krimp! Het zal inderdaad wel een magisch lijntje zijn. Onder de koffie besluiten wij vandaag naar Lulworth Cove te varen. Joep en Ina zijn daar nog niet geweest, maar het is voor hen wel letterlijk het keerpunt in de vakantie. Zij zijn op de helft en wij hebben nog een kleine vier weken voor de boeg. Daar zullen onze wegen zich scheiden. Om 11.00 uur anker ophalen, de Solent op, langs Yarmouth, Hurst Castle en de Needles Het Kanaal op. Het is prachtig weer, helaas weinig of geen wind uit het noordwesten en een rustige zee. Dat wordt weer motoren met het grootzeil op om het slingeren te dempen. Niet dat het veel helpt. Om 13.30 uur zijn wij dwars van de Needles en varen het ruime water op. Het zicht is niet al te helder, maar na een half uurtje worden de contouren van Anvil Point al zichtbaar. De tocht verloopt weinig opwindend qua zeilen maar wij genieten van het uitzicht op “hills and cliffs” langs de kust. Ongeveer om 17.00 uur lopen we gezamenlijk Lulworth Cove binnen, een natuurlijke, ovale havenkom met kiezelstranden, omgeven door vrij steile heuvels die je kunt beklimmen voor een prachtig uitzicht op de baai en de zee. Een baaitje dat reeds vele malen lyrisch werd bezongen door schrijvende zeilers. Slechts een gedeelte is beschikbaar voor ankeren. De ankergrond is niet al te stevig bij aanlandige wind (zuidelijke richtingen) kan het aardig tekeer gaan in deze baai. Toch wringen wij ons tussen een behoorlijk aantal andere jachten in de hoop dat alles goed zal gaan. Als we eenmaal liggen, ga ik even het water in, dat overigens minder helder lijkt dan in voorgaande jaren. Voor het eerst sinds jaren weer eens zwemmen! Het is best lekker. Na het eten gaan we met z’n vieren de wal op, trekken de bootjes op de kiezels en wandelen aan de zeekant een eindje de heuvel op. Terug op de boot nemen wij een neut, waarna vrij vroeg de kooi wordt opgezocht.
Tiende dag, maandag 2 augustus 1999.
Het is 02.30 uur. Een redelijk heftige bonk tegen ons schip maakt ons klaarwakker. Ik ben met één stap buiten (nou ja, één). De Impuls en de Wing IV hebben elkaar, zwaaiend om het anker, even geraakt. Een mooie wekker, komt goed uit, de stroom is mee naar het westen, de maan schijnt en de zee is rustig. Ingeborg en ik maken van de gelegenheid gebruik meteen maar te vertrekken, zijn we lekker vroeg in Dartmouth. Gaan wij toch nog nachtzeilen! We wensen Joep en Ina zachtjes een goede terugreis en glijden door de opening van de baai de zee op. Nu zijn we weer op onszelf aangewezen, onzin natuurlijk, want dat ben je altijd op je eigen schip op zee, maar zo voelt het wel een beetje. Er is onvoldoende wind, bijna geen eigenlijk, om te zeilen; de motor blijft dus helaas zijn werk doen, ik bedoel gelukkig maar, u begrijpt wat ik bedoel. Onze roerganger, een lichtgewicht: de heer A. Helm (van het type 3000) wordt in de gordel gehangen en gaat zijn werk doen, urenlang. Alhoewel de nachtelijke hemel niet geheel onbewolkt is, zorgt het licht van de maan die niet helemaal vol is (ik geloof dat ie in de richting gaat van het “laatste kwartier”), ervoor dat we allebei enigszins de horizon kunnen onderscheiden. Dat helpt tegen zeeziekte. Met name ikzelf ben daar in het donker telkens bang voor. Ik heb deze keer dan ook een primatourtje genomen, kijken of het helpt. Na een uurtje gaat Ingeborg die het koud heeft, weer naar kooi. Via de lampjes van de East- en de West-shambles boeien varen wij om de gelijknamige ondiepte heen in de richting van een wegpunt circa 4 mijl ten zuiden van Portland Bill. Want ook al is de zee kalm en loopt de stroom mee, ik wil toch deze beruchte kaap zover mogelijk aan stuurboord houden, want als het weer onverhoopt mocht veranderen, wat er niet inzit, moet je echt niet in die “overfalls” terechtkomen! Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast zeg ik altijd. Niton Radio heeft weliswaar “variable 2 or 3, moderate with fogpatches” opgegeven, maar je zal maar een “kanaalrat” tegenkomen! Wij zien de dageraad onder een bewolkt zwerk tevoorschijn komen. De stroom loopt mee tot een uur of acht. Tegen die tijd heb ik ook een tukje van 2 uur achter de rug, terwijl Ingeborg zat te knikkebollen onder de buiskap. Ja ja, het is afzien dat zeilen op zee! Om 08.45 uur zie ik op een afstand van ongeveer 300 meter een dolfijnachtige! Dat is de allereerste keer sinds wij in deze contreien op zee varen. Een ontroerende ervaring, zo vroeg als het is. Vlak voor Dartmouth (spreek uit: dartmus) valt de eerste regen van de vakantie. Het blijft gelukkig bij een schuchtere druppel. Het logboek bijhouden is ook deze vakantie weer een crime. Het lukt maar niet om consequent te zijn bij het noteren van posities, weersontwikkelingen etc.. Wij letten daar heus wel op hoor, we kijken steeds waar we zitten op de kaart en trekken de lijn dan door, maar vertalen naar tekst en cijfers in het logboek is teveel gevraagd. Geen discipline zeker of we worden teveel afgeleid, maar waardoor dan? Ouwehoerverhalen opnoteren lukt wel, dat is duidelijk. Dartmouth, steeds weer indrukwekkend bij het binnenvaren, de rotsige ingang, de stad en de glooiende heuvels die zich na het passeren van de in opdracht van Hendrik de Achtste gebouwde kasteeltjes aan het oog ontvouwen; ik moet daar toch eens een foto van maken. Wij ankeren 11.15 uur tegenover het centrum in 10 meter diep water en steken daarbij praktisch alle ketting die we hebben in verband met de rijzing en de daling onder invloed van het tij. Ploep, het rubbertje, genaamd L. Odestar, schiet tewater, doch voordat we met onze viertakt 2pk, neef H. Onda, richting kade kunnen vertrekken, komt de lokale haventolheffer ons voor £ 5,= een poot uitrukken omdat wij hier zijn komen ankeren in plaats van door te varen. Vooruit maar, stadje in. Lekker wandelen, vies Engels broodje gegeten. Ik had wel een Fish and Chips willen proberen. Maar dat kon geeneens! Er waren zo ontiegelijk veel Engelse vakantiegangers op de been rond het middaguur, dat zich voor elke (vr)eettent een queue vormde van hier tot Tokyo. Verder hebben wij tamelijk lui op muurtjes, bankjes en in parkjes gezeten, genietend van een inmiddels opgekomen, waterig zonnetje. “Pint of Guinness” gepakt op de kade (Bayard Cove, waar lang geleden voor de TV-serie “Onedin Line” opnamen werden gemaakt) en genoten van het uitzicht over de rivier, waar pontveren en jachten door elkaar heen krioelden. Eenmaal weer aan boord werden wij voor de rest van de middag, avond en zelfs tijdens de nacht vergast op een solo-optreden van een klein dolfijntje (plusminus anderhalve meter lang, schat ik) dat opgewekt maar vooral hardnekkig om alle voor anker liggende jachten heen sprong en er telkens uitdagend als een flexibele duikboot onderdoor dook! s’Nachts in onze kooi liggend, hoorden wij hem nog spetteren en spatten! Werkelijk een bijzondere ervaring, bijna spiritueel! Wat ook fijn is, tot nu toe, is dat de brandstofmeter vrijwel niet terugloopt, wat zou moeten betekenen dat de motor weinig of geen diesel verbruikt. Voor de zekerheid pomp ik af en toe toch maar wat uit de voorraadtank in de dagtank (ze zijn allebei dus even groot: 160 liter elk).
Elfde dag, dinsdag 3 augustus 1999
Voor vandaag wordt een westelijke wind opgegeven, die zal krimpen naar zuidwest kracht 3 of 4 Bf met thundery showers en een matig tot goed zicht. Not good, not good! Het is 05.30 uur als we toch maar het anker optrekken (fluitje van een cent) en de boeg in de richting van de zee steken. Wij willen vandaag naar Helford River, volgens Hajo Schaap een prachtige plek om te ankeren en te genieten van het Engelse landschap, in het bijzonder het mysterieuze gebied van Frenchman’s Creek, de kreek waar het verhaal in het beroemde gelijknamige boek van Daphne du Maurier zich afspeelde. Maar ja, zoals verwacht laten de wind en de windrichting ons ter hoogte van Salcombe in de steek en in het begin hebben wij ook de stroom tegen, maar dat wisten we. Voorlopig duiken we maar even Salcombe Harbour binnen, het is dan pas 08.30 uur. Ook een prachtige plaats om één of meerdere dagen van je vakantie door te brengen. Wij gaan het tij overliggen aan een boei ergens achterin, waar wij bij de gratie van de havenmeester zowaar gratis aan mogen hangen. Maar over een paar uur moeten wij wel weg wezen. Comfortabel aan onze bol hangend kijken wij naar het gekrioel om ons heen. Om een uur of negen begint een zeilwedstrijd van open boten, die vanuit een zijarm aan de zeekant van dit estuarium starten en dan een eind richting Kingsbridge zeilen, een vrij grote provincieplaats die ver landinwaarts ligt. Niets bijzonders eigenlijk, behalve dan dat het, op deze doordeweekse dag, meer dan honderd schepen zijn die tussen de aan moorings liggende jachten laveren. Een schitterend gezicht, maar je houdt je hart vast want de stroom is hier ook niet misselijk. Werkelijk alle leeftijdscategorieën zie je deze boten, die ik qua type niet thuis kan brengen, bemannen. Voor we er erg in hebben is het alweer 11.00 uur en begint de stroom mee te lopen. Om 11.15 uur gooien wij los van de mooring en kabbelen rustig richting zee. Het is half bewolkt, helder weer en eenmaal buiten de lij van Bolt Head, de kaap die Salcombe Harbour bij het uitvaren aan stuurboord markeert, blijkt er nog steeds weinig wind te zijn. Wij proberen het wel een tijdje, maar na verloop van tijd wordt toch de motor weer bij gezet. Wat zullen we doen? Het is nog vroeg, we hebben een volledig tij mee en als de snelheid op 6 knopen wordt gehandhaafd moet Helford River dat op circa 40 mijl afstand ligt, bij daglicht te halen zijn. Of zullen we naar Plymouth of Fowey? Nèèh, toch maar naar Helford en dan vandaar in kleine stapjes terug. Nog één flinke ruk dus. Ondanks het gebrek aan wind staat er wel degelijk een behoorlijke zeegang; dat herinnerden wij ons nog van de vorige keer. Hier reeds merk je duidelijk de invloed van de oceaan. Dat begint eigenlijk na Prawle Point, de kaap die bij het invaren Salcombe Harbour aan stuurboord markeert. Het is de tweede keer dat wij in dit gedeelte van Het Kanaal varen en ook nu weer moeten we er aan wennen, het maakt ons een tikje onzeker. We zitten er altijd veel te kort in om helemaal ingeslingerd te raken. Vol ontzag kijken we naar de waterbergen, nou ja: heuvelen, die onder ons door golven. De kleur van het water is hier ook donkerder en van een dieper blauw. De zwenkkiel gaat omlaag om het slingeren enigszins te dempen. Tegen 15.00 uur krijgen wij Eddystone Rock, met die vuurtoren erop, dwars aan stuurboord. Wij passeren op een afstand van ongeveer 2 mijl. Ik heb toch maar geprobeerd een fotootje te maken. Veel zal het niet worden met die halfbewolkte, ietwat sombere lucht. Nu komen we niet veel jachten meer tegen. De kust is al helemaal niet meer te zien. De lucht betrekt steeds meer tot het bedekt is met een egaal grijze massa, waardoor het zicht ook minder wordt. De wind die uit het zuidwesten waait, neemt echter wel iets toe en dat is gunstig. Om toch een hoge gemiddelde snelheid (6 knopen) aan de wind te lopen, doen wij bij het grootzeil en de inmiddels bijgezette Genua ook nog een beetje motor. Dat is niet zo’n bezwaar want we maken weinig helling en de motor verbruikt toch practisch niets. Op ongeveer twee uur varen vóór Helford River begint de dieptemeter kuren te vertonen: hij geeft 2 tot 3 meter water onder de kiel! Na onze positie op de kaart te hebben bekeken gaan wij er maar vanuit dat deze meter “te diep in het glas moet kijken” (het is hier meer dan 60 meter diep) en dat hem dat niet lukt of dat ie er geen zin in heeft. Om 19.00 uur begint de kustlijn zich af te tekenen; we ontwaren St. Anthony Head, de ingang van de baai bij Falmouth, maar daar moeten wij (nog) niet wezen. We stellen de koers een paar graden zuidelijker bij en stevenen af op de Helford River. Hier varen weer meer jachten en vissersscheepjes met nummers die eindigen op FH (Falmouth). De dieptemeter komt trouwens ook uit zijn coma, omdat het ondieper wordt. Om 20.00 uur varen wij de Helford River op die we breder vinden dan verwacht. De schoonheid van het landschap komt echter wél overeen met de verwachtingen: de uitgestrekte bossen, afgewisseld met weilanden en graanvelden op de golvende heuvels met daartussen schitterende cottages en Helford zelf, dat qua omvang weinig om het lijf heeft, maar op beide oevers een pittoresk beeld oplevert, zelfs bij de matige lichtval van dit moment. Het aanlopen van de monding levert geen enkel nautisch probleem op. Wij varen tussen de vrijwel uitsluitend aan boeien vastgelegde jachten door die precies in het midden van het vaarwater liggen en kiezen een vrije “visitors” boei op ongeveer een mijl varen van het dorpje en ongeveer een halve mijl
vóór Frenchman’s Creek, een beetje ver van de “bewoonde wereld” maar wel een stuk rustiger. We liggen vlak bij de rotsige wal, waar de overhangende takken van struiken en bomen zover het oog reikt messcherp en kaarsrecht zijn “afgesneden”, daar waar de hoogste waterstand telkens het gebladerte raakt; een fascinerend gezicht. Eenmaal “geïnstalleerd” (=rotzooi opgeruimd, bootje laten zakken voor een bezoek aan de wal) maken we op dit verste punt van onze zeilvakanties ooit, de balans op van vandaag: alles bij elkaar een kleine 75 mijl gevaren (da’s mooi) en een dikke 12 uur gemoterd (da’s minder mooi). Vanaf het vertrek uit Edam hebben wij 480,23 zeemijlen gevaren en 67,69 uur gemoterd. Wij hopen vurig dat we vanaf nu alleen maar zeilend hoeven terug te hoppen. Gauw met “Loodje” naar de kant. We landen bij een privé-steigertje, waar meer dinghies liggen. Na een korte wandeling door een schilderachtig laantje, komen we in het dorpje Helford River. Het eerste dat we zien is een Inn: de “Shipwright’s Inn”. Met veel moeite lopen wij er voorbij en zoeken een telefooncel op, want deze mijlpaal moet toch wel even aan het thuisfront worden gemeld. Kregen Linda aan de lijn; thuis is alles wel. Nog een klein stukje verder lopen op zoek naar een restaurantje, dat we niet vonden. Het is hier wel erg mooi, maar we hebben honger en onze aandacht gaat nu voorlopig uit naar eten en drinken. Terug maar weer naar de Shipwright’s Inn. Daar blijkt de keuken voor onze neus te worden gesloten. Het is tegen negenen. Wij besluiten maar op de boot te eten, maar niet nadat wij bitter lemon en een “Pint of Lager” hebben gedronken. Na het eten zakken we onderuit met koffie en een borrel. Het is beslist niet laat als we naar kooi gaan.
Twaalfde dag, woensdag 4 augustus 1999
Vannacht schuurde de ketting van de mooring langs onze boeg, hetgeen mij danig uit mijn slaap hield, zodat ik om 04.30 uur (en warm was het niet) van touwwerk een “bridle” maakte (in ondergoed “breien” op het voordek) en de boot uitgebalanceerd een eind van de boei kwam te drijven. Hup, rillend achter de warme kont maar weer! Het is rond 06.30 uur en, Jezus, wat zullen we nou hebben! Het giet, giet, giet en nog eens: giet! Een dikke laag water valt uit de loodzware lucht. De regen ruist niet maar bonkt op het dek! Dit is niet goed voor Ingeborg d’r hoofdpijn! Zoiets maak je zelfs in Nederland maar zelden mee. De regendruppels zijn zo groot en vallen met zo’n dichtheid naar beneden dat het lijkt alsof er massief water naar beneden komt. Een typisch Engelse regenbui zeker? Nee hoor, het is geen bui; het blijft tot zeker 10.30 uur zo regenen. Het voordeel hiervan is dat, zonder verdere mechanische hulp van buitenaf, het schip door dit fenomeen volkomen kraakhelder wordt schoongespoeld, weg zout, weg pindadoppen in de kuip, weg ankerprut op dek. De wind komt uit het oosten, recht de river in. Het lullige is dat de stroom naar buiten staat, zodat de regen ver onder onze, goddank overmaatse (toch wel lekker hoor, Bart!), buiskap komt. Wij zitten gedwongen binnen, de radio staat op BBC 2 en Terry Wogan begint zo langzamerhand te vervelen met z’n gehinnik en gezever over niks. Gelukkig neemt in de loop van de ochtend de aanvankelijk stevige wind af en stopt, zoals gezegd, om 10.30 uur de regen. Wij vieren dit met een ander radiostation dat vrolijke muziek uitzendt (requiem van Mozart: prachtig!) en een heerlijk kopje koffie met een Hollandse Cocosmacroos. Verder bespraken wij onze plannen. Ik bracht de Scillies toch nog als een mogelijke bestemming op tafel, maar na wat heen en weer gepraat zetten we dat maar weer uit ons hoofd. De lange termijn weersverwachtingen boden een onstabiel weerbeeld en de voor ons nieuwe en rotsachtige omgeving daar lokt dan niet meer zo (ben je “silly”, wij gaan niet naar Scilly!). Nog voor we goed en wel in het bootje zaten (ik geloof dat wij er toch al wel in zaten en op weg waren naar de kant) begon het weer te regenen en konden we weer binnen gaan zitten of onder de buiskap (de stroom was inmiddels gedraaid); shit! Pas omstreeks 14.00 uur zat er een gat van een zodanige omvang in het buiendek dat het de moeite loonde om eerst even naar Frenchmans Creek te tuffen. Deze kreek heeft inderdaad een mysterieuze, met dit weer ook een sombere, uitstraling doch getuigt tezelfdertijd van een ravissant natuurschoon. Vervolgens gauw naar Helford raggen en aanleggen aan het puntje van de steiger van de H.R.S.C. (Helford River Sailing Club). Aan het puntje in verband met de waterstand die nog niet zo hoog was op dat moment. Wederom begon de regen te stromen. Wij vluchtten de jachtclub van de H.R.S.C. in, waar wij door de mevrouw hartelijk werden ontvangen. Het was er erg stil. De regen ruiste op het dak van de grote serre met uitzicht op de rivier. Uren hebben wij zitten lezen in Yachtmagazines van ver vóór de tweede wereldoorlog, gezeten in comfortabele lederen fauteuils met bier, bitter lemon en “burgers with fries” onder handbereik. Tegen het einde van de middag werd het eindelijk droog en brak de zon zowaar door. Toen konden de broodnodige boodschapjes worden gedaan in het postkantoor van twaalf vierkante meter dat tevens supermarkt, bloemenwinkel en wederverkoper van kranten en tijdschriften is (veel keus aan levensmiddelen is er dus niet). Stukje wandelen maar weer, terug naar het bootje en tussen de in de weg liggende jachten naar de overkant geplokkerd, ondertussen alsmaar genietend van het wondermooie natuurschoon. Aan de overkant bevindt zich het andere café van Helford River. Ook daar brachten we de nodige tijd door op het terras (weet je dat je best wel lazarus kunt worden van Engels bier?) en keken naar het gekrioel van de Engelse vakantiegangers op het kleine, stenige strandje vlak voor onze neus, waar wij ons bootje hoog hadden opgetrokken. Een stukje landinwaarts wandelen over een op het strand langs de rivier uitkomend weggetje, voerde ons voorbij een gigantisch groot en fraai landhuis dat, tussen de golvende en met enorme pijnbomen begroeide heuvels, op een uitgestrekt landgoed lag. Het geheel getuigde van een, in mijn ogen, bijkans groteske rijkdom. Welke gelukkige met een schoon geweten kan zich hier zoiets veroorloven? Ik keek eens tussen de bomen door naar ons kapitalistische jacht dat daar in de verte vredig schommelde aan zijn bol en hield mijn sarcastische opmerkingen maar voor me. De dag eindigde met een lekker maal aan boord, lekker zitten en kijken in de kuip en lekker om een uur of tien naar bed.
Dertiende dag, donderdag 5 augustus 1999
Toch wil ik nog een baaitje verder, naar Penzance en/of Newlyn. Dat betekent dat ik nog een zeekaart moet kopen; nr. 777, een jachtuitgave van de British Admiralty. Dat kan in deze omstreken alleen in Falmouth (spreek uit: “Falmus”). Nu zouden wij op de weg terug daar toch heen, dus dat komt mooi uit. Het is maar een klein stukkie: twee uurtjes rustige vaart op de motor, want het waait weer eens niet. Niton radio gaf zuid tot zuidwest drie tot vier Bf. met showers en een good visibility, moderate tot poor in Portland at first, maar daar zitten we niet. Eenmaal buiten blijkt het 2 tot 3 Bf te zijn uit het zuidwesten. Dat betekent dat we last hebben van de lij van het land, zodat zeilen er weer niet inzit. Maar voor wij op zee zaten hebben we onder het wegvaren uit Helford River nog even goed rondgekeken en foto’s gemaakt van al het moois om ons heen. Jammer dat de zon niet erg overtuigend bezig was.
vertrek uit Helford River
Het is 08.30 uur en de stroom loopt nog lichtjes tegen als we bakboord uit gaan, ruim om de boei genaamd August Rock heen, ik zeg ruim want het is augustus en wij willen niet op de rotsen lopen. Spoedig wordt het slack en komt Falmouth rap naderbij. Deze plaats staat bekend als dé vertrek- (en aankomst)plaats voor oceaanzeilers.
Velen vertrekken van hier naar Noord Spanje of Portugal of rechtstreeks naar de Azoren, als eerste flink traject van hun wereldomzeiling, rondje Atlantic of Mediterraan avontuur. Je kunt deze haven onder alle omstandigheden binnenlopen. De monding tussen St. Anthony Head en Pendennis Point, waarop een groot militair fort, is zeer breed. Direct daarachter ligt het altijd drukke zeilmekka voor dagzeilers en weekendtoeristen, bestaande uit een uitgestrekt stuk water achtereenvolgens genaamd de Carrick Road, Cross Road en St. Just Pool, waarna het water smaller wordt en overgaat in de River Fal. Je kunt dan nog een mijl of vier, vijf landinwaarts varen, de kronkelige rivier op richting Truro, een vrij grote provinciestad met een centrumfunctie in het achterland van Falmouth. Truro is overigens alleen met hoog water en voor ondiep stekende schepen bereikbaar. Direct stuurboord uit na de monding ligt St. Mawes, beslist een schilderachtig plaatsje, waar je redelijk beschut kunt ankeren. Daar gaan wij ook nog naar toe. Maar eerst sturen wij bakboord uit: om de scheepswerf en commerciële haven heen, waar een groot bevoorradingsschip van de Engelse marine voor groot onderhoud ligt, en varen richting aanlegsteigers voor jachten tegen het centrum van Falmouth aan. Deze jachthaven is niet zo groot en ligt bomvol. Wij leggen even aan op de plaats van de tankboot, die nu zelf verderop aan de kade diesel aan het laden is, om water te tanken en gaan vervolgens, het is dan pas 10.30 uur, een honderd meter vóór deze jachthaven voor anker; tussen al die anderen die daar reeds liggen. Iedereen ligt wel dicht op elkaar, opletten dus. Voor het eerst na 7 dagen water getankt. De tankinhoudmeters gaven aan dat de tanks nog halfvol waren, maar dat is verneukeratief omdat de vlotters in het diepste deel steken en de tanks (als dwarsdoorsnede gezien) driehoekig van vorm zijn. Wij weten in ieder geval nu waar we ongeveer aan toe zijn met die dingen. Ook hier komt de havenmeester langs om £ 5,= te vangen voor je eigen inspanningen en investeringen. Wij ondergaan het gelaten. Verbeeld ik het me nou of lijken de Engelsen in het algemeen en de havenmeesters in het bijzonder iets minder toeschietelijk of hartelijk te zijn dan voorheen? Het zal wel aan mij liggen (ik krijg in het algemeen altijd ongelooflijk de Pee in als geld mij de zak uitvliegt en in het bijzonder als het terechtkomt in de hand van iemand die ‘m alleen maar ophoudt!). Als wij goed en wel liggen ga ik met de bijboot even om de Wing IV heen varen om panoramafoto’s te maken vanaf dichtbij het wateroppervlak. Van verschillende afstanden en met veranderende scherpe wolkenluchten schiet ik wat plaatjes. Dat zullen mooie worden!
Wij gaan uiteraard ook de kant op voor een wandeling door de met vakantiegangers druk bevolkte winkelstraat, die parallel loopt aan het waterfront. Hier en daar zijn er door steegjes en tussen huizen in mooie doorkijkjes op het water met aan de overkant cottages tussen het groen op de heuvels. Erg mooi hoor. Boodschappen doen bij de Tesco en kaart nr. 777 kopen bij een nautische boekhandel. Terug naar de boot voor boterhammen en bier. Lekker de hele middag in de kuip zitten en het gedoe van langsvarende jachten, dinghies en open zeilboten op je in laten werken. Van een naast ons liggende stalen tweemaster (motorzeiler) onder Nederlandse vlag vaart een echtpaar in hun rubberboot naar de steigers van de jachthaven. De man zet de vrouw af en roeit weer terug; hij komt recht op ons af. En jawel hoor, hij zit om een praatje verlegen, had onze Nederlandse vlag gezien. Staand in zijn roeiboot begint het gesprek. Zij liggen hier al een paar dagen en komen van de Ierse Zee. Staan op het punt om hun “Round England” trip van 4 maanden af te ronden. Ik nodig hem uit in de kuip te stappen, want ik zie hem direct nog overboord donderen met die deining. Een biertje gaat er wel in. Arie Jan blijkt een vutter van bijna zestig jaar te zijn, wat hem niet is aan te zien, die met zijn vrouw Alie het jaar rond op hun zelfgebouwde stalen Bloemsma kotter (15 meter lang) woont en vaart. Arie Jan is een gezellige babbelaar die, naar eigen zeggen, meteen op iedereen die aankomt afstapt om het naadje van de kous te weten. Binnen 20 minuten weten wij zo ongeveer alles over Arie Jan en zijn vrouw. Ik zalbinnen het bestek van dit verhaal dan ook maar afzien van een te gedetailleerde beschrijving van het leven en werken van Arie Jan. Hij kent in ieder geval alle schippers en schepen die hier langer dan een dag voor anker liggen en vertelt graag over hen. De tijd vliegt en na een uurtje of twee staat zijn vrouw op de kade te zwaaien. Daar gaat ie weer, maar niet eerder dan nadat wij hartelijk zijn uitgenodigd om het bier morgenavond weer “terug te halen” want we zijn nog lang niet uitgepraat. Tegen 22.00 uur gaan we te kooi na een bezorgde blik naar boven te hebben geworpen op het onrustbarend snel voorbijtrekkende wolkendek. Om 24.00 uur word ik wakker van het geschreeuw van een Engelse buurman, die verschrikkelijk tekeer gaat tegen zijn vrouw die midden in de nacht “thuis” komt met de bijboot. Uit de flarden van de eenzijdige conversatie, waarin de vrouw veel “hell and damnation” krijgt toegeslingerd, meen ik te kunnen opmaken dat manlief haar beschuldigt van “promiscuous behaviour”. Na minutenlang getier horen wij de bedrogen echtgenoot scheldend in de rubberboot springen en, nog steeds liederlijk vloekend als een razende weg roeien. In de verte hoor je hem nog schreeuwen. Van de vrouw hebben wij geen enkel geluid kunnen onderscheiden. Dit is voor ons toch wel weer een flinke deuk in het flegmatieke imago dat wij de gemiddelde Engelsman toedichten, maar het heeft wel een hoog amusementsgehalte en het is taalkundig gezien bijzonder leerzaam. Als ik de volgende dag aan Arie Jan, die nog dichter bij het gedoemde schip lag, vraag of zij niets hebben gehoord luidt het antwoord ontkennend. Of zij slapen comateus of Ingeborg en ik hebben het voorval gezamenlijk gedroomd!
Mooi Falmouth
Veertiende dag, vrijdag 6 augustus 1999
Na “het voorval” sliepen wij onrustig, zeg maar slecht. Vooral ook omdat de wind aantrok en flink vanuit het zuidwesten doorzette. Af en toe kletterde een stevige regenbui op het dek. Het leverde s’morgens vroeg een weinig aanlokkelijk totaalbeeld op en bracht ons af van het voornemen 06.00 uur te vertrekken. Misschien kunnen we vanmiddag nog vertrekken naar Penzance of zo. Wij kropen nog maar eens onder het dekbed en bleven lekker liggen. Na te hebben ontbeten zetten wij de zaak op een rijtje. Het was niet zo’n slechte gedachte om te blijven liggen; Falmus is tenslotte een leuke plaats met een goeie wandelomgeving. Bovendien wordt vanmiddag de aankomst verwacht van zo’n 200 schepen die van overal hier naartoe komen voor het “Classic Boat Festival”. Het gaat daarbij om traditionele, klassieke schepen van diverse pluimage (=tuigage). De aankomst valt samen met de finish van een aanbrengwedstrijd van klassieke schepen vanuit Brest, Frankrijk. De schepen zullen vlak voor onze neus afmeren en tussen ons in ankeren. Wat dat betreft liggen wij eerste rang! Na de koffie roeien we naar de wal voor een fikse wandeling door de winkelstraat, het stadscentrum uit, langs de rivier de buitenwijken in, maar wel steeds zo lopend dat we zicht houden op het water en de overkant, want dat trekt toch het meest. Wij komen langs typisch Engelse huizen en hotels; dat is niet zo verwonderlijk want we zijn in Engeland. In één van die hotels aan de waterkant maken we een sanitaire stop. Wachtend in de lobby en onder het welwillend doch waakzaam toeziend oog van een onbestemde hotelfunctionaris maak ik van de gelegenheid gebruik om goed rond te koekeloeren in het Victoriaans stijfjes ingerichte restaurant en de met nostalgische foto’s uit een roemrijk verleden behangen corridors; kortom ik snuif de sfeer op van het typische Engelse “Country Life”. Ik zou er niet in willen wonen, noch verblijven, maar toch vind ik het allemaal wel “wat hebben”! Na wat een eeuwigheid lijkt komt Ingeborg weer tevoorschijn en de voettocht wordt voortgezet tot aan de grote Falmouth Yacht Marina aan de rand van Falmouth, achter in de Penryn River, zoals deze arm van dit uitgestrekte watersportgebied heet. Wij lopen het jachthaventerrein op dat voorzien is van slagbomen en een klein maar zeer luxe complex met alle mogelijke voorzieningen: winkels in kleding, drank, voedsel, scheepsbenodigdheden, restaurants, comfortabele kantoren met en voor havenpersoneel etc. Ik heb niet meer zo de neiging in jachthavens alle steigers af te lopen om naar bootjes te kijken. Het lijkt wel, nu we zelf over het “ultieme” schip beschikken, of wat dat betreft bij mij een “nieuwe rust” is ingetreden (tijdens het bezoek aan Conyplex dit najaar maakte de “nieuwe rust” overigens weer heel eventjes plaats voor een “nieuwe onrust”; een mens is een raar, hebzuchtig wezen)! Teruglopend naar het stadje begint het weer te regenen; tot nu toe hebben wij tijdens onze wandeling mazzel gehad. De lucht is half betrokken met voortsnellende wolken; de wind waait nog steeds uit het zuidwesten en is pittig, 5 Bf schat ik. Nog steeds niet aantrekkelijk om het anker te lichten. Weer aan boord zetten wij in de regen de kuiptent op. Nu komen we er pas achter dat deze tent prima op de beugel kan blijven zitten en naar achter neergeklapt goed op de kuiprand ligt, klaar om zo weer omhoog getrokken te worden en vastgezet met de spanbanden over de buiskap heen, een werkje van hooguit een minuut. We weten nu ook waar die ene hoes die we thuis hebben laten liggen voor is. Naar believen kunnen we voor uitzicht de zijflappen aan drie kanten oprollen; er zitten helaas geen ramen in, zoals bij Bart! Terwijl de regen op de tent en de buiskap klettert, nemen wij het ervan met een lekkere boterham en een pot bier. Gastvrije Arie Jan houdt het niet meer, want het is nog maar pas 16.00 uur als hij bij het (voor de zoveelste keer) langsroeien ons toeroept dat het nú happy hour is aan boord van zijn “Black Lady”. Eenmaal bij hen aan boord begrijp je pas goed dat het op zo’n motorzeiler best permanent uit te houden is. Het is heel knus en huiselijk in het dekhuis: stampvol electronica, veel boeken, gordijntjes, comfortabele, hoog geplaatste banken met een fantastisch uitzicht van 360 graden. Bij een rondgang door de ruimtes benedendeks vallen slechts twee dingen tegen, die ik overigens wel belangrijk vind: het is er puur donker doordat alles betimmerd is met een donkere soort mahonie en het is er hokkerig, maar Arie Jan is duidelijk trots op zijn werk en terecht. Het is net alsof er geen dag verstreken is: het gesprek van de vorige dag wordt gewoon voortgezet. Wij krijgen alles te horen over hun wederwaardigheden tijdens overtochten en hun verblijf in (bijna) alle havens langs de Engelse oostkust, over de Schotse gastvrijheid, de door Arie Jan zelf verbeterde zeileigenschappen van hun 25 ton zware kotter, de container met huisraad op een industrieterrein in Hellevoetsluis, het arbeidsverleden van Arie Jan in de wegenbouw en de vervelende allergie waar Alie mee te kampen heeft. Dit laatste werpt voor hen wel roet in het eten, maar zij passen zich aan en houden vol! Plotseling komt op een meter afstand een negen meter Waarschip dat tamelijk duidelijk met het anker de bodem aan het krabben is, langs drijven. “Jezus, die is van mijn vriend, Erik” roept Arie Jan verschrikt uit en stuift naar buiten. Een andere vriend van Erik komt er ook bij met zijn rubberboot en probeert de vaart er uit te halen. Met verkrachte eenden houden wij het jacht af. Arie Jan stapt over en de ankerprocedure wordt opnieuw ingezet (deurtjes stonden open, sleuteltje in het contact; dus dat was makkelijk). Ondertussen kwam, nietsvermoedend, Erik zelf vrolijk aanroeien, nam de situatie laconiek in ogenschouw en nam onder dankzegging het ankerwerk van Arie Jan, die weer op zijn eigen Black Lady werd afgezet, over. Vervolgens was Erik nog een half uurtje doende om weer een goed plekje te vinden. De ankerplaats werd trouwens erg vol, omdat de intocht van de “Classic Boats” inmiddels was ingezet. De steigers waar zij zouden afmeren en waar op de kade een enorme tent was opgezet, lag om 17.00 uur al bomvol, zodat de nakomers zich genoodzaakt zagen binnen het reeds ten anker liggende veld positie te kiezen, hetgeen tot gevolg had dat het hier en daar wel eens mis ging.
we voelen ons echte oceaanzeilers
Ook wij hielden ons hart vast toen we een oude en groezelige Falmouth Workboat bijna recht vóór de Wing IV en op nog geen 30 meter afstand van onze ketting, nogal nonchalant het anker zagen uitgooien. Het aanschouwen van de bemanning maakte echter veel goed: de vrouw of vriendin van de schipper was ondanks of misschien juist wel door, haar slonzige, gescheurde en vooral “losjes” hangende kledij (het was niet koud) en haar structureel blootsvoetse status, van een onaardse schoonheid, zoals zij daar, omringd door blaffende honden, als een soort boegbeeld op de plecht van hun houten jol staand, naar de kant voer. Intussen zaten wij al weer hoog en breed aan de borrel, toen ook Erik, daartoe uitgenodigd door de gastvrije Arie Jan, na moeizaam ankerwerk zijn opwachting maakte. Erik, dertiger, bleek een pas afgestudeerde student (iets in de accountancy of zo), die na een rondje Atlantische Oceaan in zijn Waarschip 9 meter, “Dagmar” genaamd, begin deze week in Falmouth is aangekomen, na een slopende tocht (veel windstilten) vanaf de Azoren. Hij heeft een jaar rondgezworven, o.a. in het Caribisch gebied en was nu op weg naar Nederland, waar hij van plan was tijdens de natte Hiswa aan te komen. Een prettige, bescheiden persoon, die zelfs een enigszins verlegen indruk leek te maken.Uit wat hij vertelde maakte ik op dat de halve haven vol moest liggen met mensen die van de oceaan afkwamen. Hij wees ons ook de boten aan die het betrof. Dit kwam dus aardig overeen met het beeld dat wij vooraf hadden van Falmouth als dé uitvalsbasis voor het grote werk. Zouden wij zoiets ooit ook nog eens aandurven (ik weet het antwoord al)? Al met al vlogen de wijzers van de klok als razend naar 20.30 uur. Toen vonden wij allemaal dat het tijd werd voor een hap. We nemen alvast hartelijk afscheid van Arie Jan en Alie, ook voor morgen, want we zijn van plan morgen Falmouth te verlaten voor een tochtje het binnenland in, richting Truro. Erik wil morgen graag nog even ons schip bekijken. Voldaan roeien wij tussen het “jachtenpak” terug naar de Wing IV alwaar we om 21.30 uur een laat avondmaal nuttigen. Na het eten roei ik nog even naar de Dagmar om Erik het laatste nummer van “Zeilen” te geven, want daar staat een foto van hem in als “Vertrekker”. Tenslotte kwam in bed een bevredigend eind aan deze “volle” dag.
Vijftiende dag, zaterdag 7 augustus 1999
Het is 06.00 uur. Daar hebben wij patent op, op die tijd! Een keer “doorhalen” zou fijn zijn, maar dat zit er kennelijk niet in. De zon schijnt al, het is buiten doodstil. Er staat praktisch geen wind. Vannacht moet het ook rustig zijn gebleven want er is niemand over onze ketting heen gevaren en niemand heeft onze romp “gekust”. Na het ontbijt, het is dan 08.30 uur, komt onze hartelijke vriend Arie Jan, nadat hij Alie heeft afgezet voor haar noodzakelijke wandeling, alweer aangevaren voor een laatste koppie koffie en een gezellig kletspraatje. Verwonderd en met bewondering horen we het allemaal aan. Naar de wal om 09.30 uur, alleen om brood te kopen en geld te halen. Als we met een half uurtje terug zijn komt Erik aanroeien om ons schip te bekijken en “Zeilen” terug te brengen. Bewonderend en met een kennersblik bestudeert hij de lay out van het dek en de tuigage; het rondkijken in het interieur ondergaat hij beleefd maar interesseert hem weinig (daar kon ik mij iets bij voorstellen nadat ik gisteravond “Zeilen” bij hem bracht en meteen even een kijkje nam in het interieur van zíjn boot!). Hij adviseert ons min of meer, voor het “echte werk”, een hekwerk rond de mast te zetten als houvast wanneer je in hoge zee moet reven of iets dergelijks. Hij zou dat in elk geval wél gedaan hebben. Concluderend zegt hij met ons schip zo wel een keertje “rond” te durven gaan. Toch aardig van hem. In elk geval zijn wíj daar (nog) niet aan toe. Na een vroeg biertje verlaat hij ons. Misschien zien wij hem op de Natte Hiswa (hoe valt het te duiden dat ik bij dat: “Natte Hiswa” toch steeds rare bijgedachten krijg?!) binnenkomen. Om 11.00 uur gaat het anker op (hij doet het nog na ruim twee dagen stroomvreten!) en wij tuffen voorzichtig tussen de jachten door achter de Black Lady en vóór de Dagmar langs richting Carrick Road. Goodbye Falmouth, Erik, Alie en Arie Jan, you were good to us! Dat het water wat ruimer wordt wil nog niet zeggen dat wij ook echt de ruimte krijgen; allemachtig wat een zooi schepen vaart er rond in en voor de monding tussen Pendennis Point en St Anthony Head. Dat het weekend is en nu zeilwedstrijden aan de gang zijn tussen deelnemers van het “Classic Boat Festival” zal daar hoogstwaarschijnlijk debet aan zijn! Het levert een fraaie panoramafoto met tegenlicht op van een “classic boat” onder vol tuig.
Classic Boats op Carrick Road
Het grootzeil gaat omhoog, de genua I wordt uitgerold en met een lichte ruime wind (3 Bf) uit het zuidoosten varen we bakboord uit om Trefusis Point heen richting Cross Road en vervolgens Mylor. Volgens de BBC wordt het later Bf 5, maar dan zullen wij al tussen de “boerenkool” zitten en er geen profijt van hebben. Zo sukkelen wij voort, genietend van het uitzicht aan beide zijden van het water, dat steeds smaller wordt. Door onze geringe diepgang hebben we meer manoeuvreerruimte tot onze beschikking dan vergelijkbare andere jachten en kun je aan de wind varend toch behoorlijk lange slagen maken over de ondiepe gedeelten in dit water, zo blijkt later als we op de terugweg hier weer langskomen. Langzaam varen we, inmiddels alleen met de kotterfok op om een beter uitzicht te hebben, langs Mylor op de bakboord oever, ook een zeilcentrum, en recht op Trelissick House af, een paleisachtig landhuis dat vóór ons op de heuvel staat en majesteitelijk uitkijkt over een met wandelpaden doorkruist immens gazon, met hier en daar een grote eik, zacht glooiend aflopend naar een ondiepe inham aan de rivier, Channals Creek genaamd. Hier en daar liggen langs de oevers jachten voor anker en spelen kinderen met bijboten langs de vloedlijn. De strandjes zijn afwisselend stenig en zanderig. Naarmate wij verder stroomopwaarts komen, wordt de begroeiing dichter en reikt tenslotte tot de waterkant met dezelfde scherpe horizontale afsnijdingen van takken en bladeren die boven het water hangen, net als in Helford River. Op bepaalde plaatsen liggen aan de rand van de vaargeul drijvende steigers zonder verbinding naar de wal met vuilnisbakken erop, waar jachten kunnen afmeren. Als je daar s’nachts blijft liggen komt men daarvoor geld ophalen. Tussen de eerste scherpe bocht naar bakboord en de volgende naar stuurboord en pal achter de enige veerpont op deze rivier, doemen evenals in de vorige vakantie het geval was, de reusachtige koopvaardijschepen op van 10.000 ton en meer, die hier in “trossen” opgelegd liggen, slechts bezet door een enkele wacht en in afwachting van hetzij betere tijden of ontijdige sloop. Het zijn er nu nog meer dan een paar jaar geleden. Ik vind niet dat het landschap er speciaal door wordt verfraaid, maar ja, ze moeten ergens heen met die krengen, neem ik aan. Als wij de bocht naar stuurboord nemen blijken er nog meer van die roestbakken te liggen, pal voor de smokkelaarskroeg van Tolverne. Honderd meter voorbij de Inn aan stuurboordswal pikken wij een bol voor kroegbezoekers op en roeien naar de aanlegsteiger, die nog net zo gammel is als ooit. Op deze schilderachtige plek zonder ook maar enige andere bebouwing in de buurt, staat daar die eenvoudige maar uiterst knusse herberg met een (smokkelaars)geschiedenis die terug gaat tot in de zeventiende eeuw! Ook in de tweede wereldoorlog speelde deze plek een belangrijke rol, omdat hiervandaan honderden schepen, koopvaarders en landingsvaartuigen na weken- of soms maandenlang wachten, naar Normandië vertrokken om deel te nemen aan de verschrikkingen van D-Day. De vergeelde foto’s, certificaten, scheepstrofeeën etc. getuigen nog van die gebeurtenissen en het is duidelijk dat de huidige uitbaters er alles aan doen om de geschiedenis in ere en levend te houden. Buiten is tegen de helling een steil terras gesitueerd met verschillende “verdiepingen”. Hier strijken Ingeborg en ik aan een hellende tafel neer om uit te rusten van de “vermoeiende zeiltocht”. Van het uitzicht op de roestbakken en van de fraaiere rest van de omgeving genietend, nuttigen wij grote stukken stokbrood met onduidelijk maar overheerlijk beleg. Ik ga mij te buiten aan één luxe whisky, die vandaag in de aanbieding was, en hou mij voor de rest bij bier. Heerlijke sensatie: we hoeven ons nu alleen maar te concentreren op het vasthouden van ons glas (anders flikkert het om) en op het uitzicht; een waar vakantiegevoel! Met tegenzin verlaten wij geruime tijd later onze “hangplek”, rekenen af en schepen ons weer in. Verder gaat het, de rivier op; nu een bocht naar bakboord, weer steigers met ligruimte, dan een bocht naar stuurboord. Na nog zo’n twee mijl en twee bochten verder komen wij op een splitsing. Rechtsaf heet het Tressillian Creek en linksaf gaat de Fal River verder als Truro River. Wij gaan bakboord uit richting Truro. Het hoogste water hebben we dan net achter de rug. Met lichte stroom tegen varen we voorzichtig verder langs de hier weer wat meer bewoonde wereld. Prachtige bungalows met eigen aanlegsteigers en boothuizen staan hier. Malpas heet dit dorpje. Bewoners komen naar het raam om ons toe te zwaaien; Ingeborg voelt zich net Beatrix en ik voel me niet Claus. Het water wordt dan weer breder en in de verte kun je Truro al zien liggen. De waterdiepte neemt echter steeds verder af naarmate wij dichter in de buurt komen. Wij durven niet verder en kiezen met een gevoel van lichte teleurstelling met de staart tussen de benen het hazenpad. Het risico aan de grond te lopen en dan s’nachts pas de onverlichte rivier weer af te kunnen trekt ons niet zo en we zijn nog niet zover dat we ons zorgeloos in de bagger willen laten zakken. Wel jammer; Truro ligt mooi zo tussen de heuvels en heeft een bezienswaardige kathedraal uit de Middeleeuwen! Terug maar weer. Langzaam drijven we tussen de aan bollen gemeerde jachten op de splitsing bij Malpas richting Tolverne. Twee bochten vóór Tolverne, schuin tegenover Church Creek, kiezen wij vlak langs de vaargeul een ankerplek. Een stukje terug ligt maar één ander zeiljacht voor anker en aan de dichtstbijzijnde passantensteiger verderop liggen nog drie andere jachten afgemeerd. Na de uitgebreide lunch van vanmiddag hoeven wij niet zoveel van het avondeten te maken en concentreren ons derhalve op de voorbereidingen voor de nacht. We zullen extra moeten opletten of het anker krabt, want we liggen dicht bij de “fatale” dieptelijn langs de wal en er staat voorlopig nog flink wat stroom naar buiten. Voor de rest is er de diepe stilte. Een beetje onheilspellend zelfs, nu de zon achter de heuvels zakt en het al gauw donker wordt. Dit wordt nog versterkt door het donkere loof van de bossen die vlak naast ons tegen de hellingen oprijzen; we liggen tussen twee hoge wallen van broccoli! De radio gaat uit en we pakken allebei een boek. Behalve wat diergeluiden in en boven het bos hoor je hier helemaal niets! De stilte wordt oorverdovend en omdat we daar toch niet goed tegen blijken te kunnen, althans niet te lang, doen wij de radio maar weer aan en creëren zo onze eigen herrie. Zo kunnen we ons beter focussen op het lezen, vooral als de olielampen branden. Er is vandaag niemand langsgekomen om geld op te halen!
Zestiende dag, zondag 8 augustus 1999
Even na twaalven (24.00 uur!) worden wij met in de keel bonkend hart wakker van een ongelooflijke teringherrie, want iets anders kan ik het niet noemen, veroorzaakt door een rondvaartboot uit Falmouth, voor de gelegenheid “verkleed” als varende discoboot! Wie haalt het nou in z’n hersens om in deze omgeving in het holst van de nacht dat soort decibellen rond te blazen?!!! Na een kwartiertje keert het ding om en verdwijnt gelukkig weer richting Carrick Road. Ik word om 03.00 uur wederom wakker, nu van de ruisende regen die blijft ruisen tot 08.00 uur! Ingeborg slaapt gewoon door; zij heeft het verdiend (kennelijk). Vrij laat voor ons doen (08.00 uur) staan wij op en willen het ontbijt gaan klaar maken. Afgezien van de afgrijselijke weerberichten: regen, regen, regen en nog eens regen, blijkt dat we ook nog eens flink hebben liggen krabben. Ons schip ligt nu, door de naar binnen staande stroom ongeveer 50 meter verder stroomopwaarts dan gisteravond, weliswaar nog niet in de “gevarenzone”, maar toch! GVD, wij zouden nog zo opletten! Aan de hoeveelheid ketting die we hebben gestoken kan het niet liggen want doorgaans is het zo dat als wij beginnen met ankeren mensen om ons heen altijd naar ons kijken met een blik zo van: wanneer schei je nou eens uit met dat geratel! We zullen dit maar als een waarschuwing beschouwen. Het ontbijt moet maar even wachten want hier ga ik meteen weg, geen rust meer in de kont. Gelukkig houdt het op met regenen en klaart het zelfs geheel op; de weersverwachtingen kloppen vandaag gelukkig niet. Hup, anker op met een voor deze omgeving genante herrie en op de motor zachtjes voorbij Tolverne en de verzamelde schroothoop naar Turnaware Point, vlak vóór het begin van de Carrick Road, en tegenover de reeds eerder genoemde Channals Creek baai, aan de voet van het reeds eerder genoemde landhuis, Trelissick House genaamd. Ik had gisteren al gezien dat je daar mooi kon ankeren; er is een leuke kreek, een stenig zandstrandje, en braamstruiken op de helling, wat wil je nog meer. Een al wat oudere Engelsman (of was het een Cornwaller?) op een aftandse Westerly Centaur gaf ons goede raad omtrent de te kiezen ankerpositie en daar liggen wij weer.
Douchen, eten, koffie en naar de kant. Stukje langs de kreek gelopen, langs het strandje gewandeld, een eindje het weggetje op landinwaarts, maar al spoedig werd Ingeborg gebiologeerd door de daar aanwezige braamstruiken, die alras van hun vruchten werden ontdaan, voorzover die rijp waren. Tijdens het plukken ging ik op de betonnen fundatie van een oud lichtbaken voor mij uit zitten staren. Terwijl de zon scheen en een licht windje opstak, werd de jamvoorraad aangevuld. Het is 14.00 uur als wij het anker lichten en naar het begin van het wijde water, de Carrick Road, varen. Ondertussen hijsen we het grootzeil en wordt de genua I gezet. Langzaam neemt de wind het over van de motor. Die wind (hooguit 3 Bf) komt uit het oosten tot zuidoosten wat maakt dat we aan de wind moeten zeilen als we naar St. Mawes willen en dat willen we. Het is werkelijk prachtig weer, de beloofde thundery showers blijven uit en om weer te wennen is dit een lekker windje. Wij gaan niet te hard, circa 4 knopen, dan kunnen ze ons goed zien en bekijken. Op alle kruisende jachten draaien hoofden zich om in stille bewondering en/of afgunst om ons mooie schip (voor de zekerheid kijk ik even naar Ingeborg, neen, ze zit niet naakt in de kuip, het gaat hen echt om ons schip). Ik weet zeker dat er wel eentje tussen zal zitten die zich afvraagt of ons schip nu van aluminium is of van roestvrijstaal; die vraag heb ik in een haven namelijk al eens gehad! Maar misschien kijken ze wel omdat na alle regen van de afgelopen dagen ons schip erg mooi blinkt in het zonlicht. Zorgeloos zwalken wij van bakboord naar stuurboord oever over de ondiepten. Hier en daar moet de zwenkkielingedraaid worden, wat hoogteverlies oplevert, maar alla, we zijn met vakantie. Als we zo langs de ankerplaatsen laveren valt het op hoeveel schepen aan een meerboei liggen en hoe betrekkelijk weinig ruimte overblijft voor schepen die aan hun eigen anker willen liggen. Dat was in Helford River ook duidelijk het geval. Als je in de Engelse Yachtmagazines leest, wordt het beeld bevestigd dat “het beleid is” in Engeland, ten koste van de ruimte om (gratis) te ankeren, steeds meer boeien neer te leggen met de daaraan gekoppelde “winstverwachtingen”. Om 15.30 uur komen we voor de baai waar St. Mawes aan ligt, bergen de zeilen op en varen de ankerplaats op. Alleen vóór in de baai is er tussen de “bollen” nog voldoende ruimte om te ankeren, als tenminste niet teveel lieden je vóór zijn. Hier staat wel aardig wat deining en is het nog een puur eindje roeien naar de wal, maar de plek is mooi met panoramisch uitzicht op het plaatsje. Naast ons ligt een polyester 40-voeter van Franse makelij met een echtpaar op leeftijd dat gasten entertaint: na zorgvuldig tellen kom ik tot 26 personen, allemaal jongelui die met de meest mallotige en dure speedboten, waterscooters, en rubberboten zijn toegestroomd en een onderhoudend happy hour vieren. Het is een drukte van belang, want het zit natuurlijk niet stil en het is ook geen vergadering van kerkvoogden. Leuk om naar te kijken. Wij laten eveneens ons gemotoriseerd aanhangsel te water en varen richting schilderachtig St. Mawes dat patent lijkt te hebben op pasteltinten voor haar bebouwing. Tussen 30 andere rubberboten knopen wij bij een stenen trap met een lange lijn de onze vast en klimmen aan wal. St. Mawes hadden we al eens bekeken; het is een leuk dorpje met winkeltjes langs de waterkant, steegjes steil omhoog tegen de helling en aan het eind van het dorp staat hoog op een klip aan het water een soort fort uit de tijd van Hendrik de achtste. Daar kun je tegen betaling in. Dit is echter af te raden want er is niets te zien en dat is dan een erg duur produkt voor een pond of 5 per persoon. Het is alleen maar een mooi gesitueerd historisch object, dat wel. We blijven dit keer in het plaatsje, wandelen een straat omhoog, naar rechts en buiten het dorp langs de kustlijn na een stop op een bankje bij een zwemstrandje, waar het erg druk is, weer terug naar het centrummetje. Daar kopen en eten wij chips, ijs en fudge, zodat de hoofdmaaltijd voor deze dag “gedaan” is en tappen aan de haven 3 liter water in 2 Sparoodflessen; Ingeborg houdt ervan altijd een (extra) reserve voorraadje water bij de hand te hebben; je weet immers nooit of je onverhoeds in de woestijn terechtkomt. Aan boord drinken we overigens altijd uit cans of flessen. De grote tanks zijn voor het (af)wassen en douchen. Met deze buit stappen wij weer in het bootje en tuffen naar de Wing IV terug, die in de verte majesteitelijk ligt te schommelen tussen steeds minder andere jachten. De buurman met zijn drijvende jongerensoos is weg. Ook vandaag komt niemand geld ophalen, da’s mooi meegenomen. Tot s’avonds laat zitten we in de kuip bij olielamplicht van de omgeving te genieten en te lezen.
“onder het kapje
met een lampje
en een hapje”
Wij liggen prima rustig; ik hoop dat dat vannacht ook zo blijft.
Zeventiende dag, maandag 9 augustus 1999
Dus niet: om 02.30 uur word ik wakker vanwege een flink toegenomen deining en stromende regen, het zal buiten dus wel behoorlijk waaien. Ik begin te geloven dat het weerbericht in Engeland alleen s’nachts geldig is. Op de ankerplaats merk je niets van de wind omdat we stevig in de lij van het land liggen. Zekerheidshalve steek ik maar wat meer ketting en ga weer naar bed waar ik pas laat in slaap val. Na het ontwaken doen we, weinig uitgerust, kalm aan (zoals elke ochtend trouwens) tot een uur of 10.15 uur. De radio die meestal staat afgestemd op BBC 2 probeert een “hype” te veroorzaken rond de aanstaande totale zonsverduistering. Wij bevinden ons precies in de smalle baan over West Europa waar die “Eclips” volledig zal zijn. Dit natuurverschijnsel zal zich overmorgen, woensdag dus, aan ons openbaren. Wij vinden dat best leuk en interessant en zullen er ook zeker goed voor gaan liggen ergens. Maar zoals de BBC hierover reeds dagenlang in de weer is om er een “circus” van te maken, dat is echt niet normaal meer. De eclips staat volledig centraal in vrijwel elk programma. Telkens vinden onderbrekingen plaats of worden zelfs gehele programma’s besteed om de situatie op de toegangswegen en binnen het toeristenbedrijf (hotels, pensions etc.) in Cornwall onder de loupe te laten nemen door de meest uiteenlopende “deskundigen”, zoals daar zijn: burgemeesters, commissarissen van politie, verkeersplanologen, futurologen, toeristen, gemeenteraadsleden, wethouders, voorzitters van bedrijvenorganisaties en andere maatschappelijk werkers. Het centrale thema is: zal zich een ramp voltrekken door de toestroom uit het gehele land of niet en hoe valt één en ander nog te voorkomen? Al het andere nieuws wordt hieraan volstrekt ondergeschikt gemaakt. Na verloop van tijd houd je dit geleuter wel voor gezien en ga je naar een andere zender zoeken: mispoes, ook daar van hetzelfde laken een pak! Zuchtend doe je hem dan maar uit en ga je weer luisteren naar de omgevingsgeluiden en daar is eigenlijk ook niks mis mee. Er van uitgaande dat buiten wel wind zal staan, besluiten we maar te vertrekken, ook al vanwege de ietwat hinderlijke deining op deze ankerplaats. Het doel van vandaag is Mevagissey (ik verspreek me steeds: “mega vissie”), een vissersdorpje dat een paar baaitjes verderop aan de kust ligt. Uit de boekwerken weten wij dat het een heel klein haventje is waar je amper kunt afmeren. Daar is ook maar één diepe plek langs de pier voor jachten bestemd. Het ondiepe gedeelte is het domein van de vissers, die daar droogvallen. Het plaatsje moet erg mooi zijn. Er zijn wolken aan de hemel, maar de zon schijnt daar regelmatig tussendoor en het is helder en droog weer. Het weerbericht van Niton radio spreekt van zuidoostelijke naar noordwest draaiende wind, kracht 3 tot 4 en occasionally 5; dat belooft wat! Goedgemutst halen wij het anker op en varen zeilen hijsend richting monding van de baai en dan bakboord uit, vlak langs de vuurtoren van St. Anthony Head. We zien hele troepen wandelaars op het Coastal Path. Dit Coastal Path loopt, zonder andere onderbrekingen dan de noodzakelijke “doorsteken” door dorpen, steden, stadjes en oversteken over riviermonden, langs de totale kustlijn van Groot Brittannië! Er zijn mensen die maken er een sport van dat gehele traject wandelend af te leggen. Ik vraag me af of er eentje is die dat zonder onderbrekingen heeft volbracht. Dat zal wel want ook Engeland herbergt zo zijn malloten. Voor wij goed en wel op zee zitten hebben wij al in de gaten dat de zeilen er wel weer af kunnen want er staat geen zuchtje wind, terwijl de deining naar onze indruk enorm is. De weersverwachting blijkt inderdaad alleen voor de nacht te gelden en laat ons overdag met de “puinhopen” (=waterbergen) zitten! Op de motor maar weer. Wij blijven tamelijk ver uit de kust alhoewel, op een enkel solitair liggend stuk rots na, geen noemenswaardige gevaren in de buurt zijn. Ingeborg heeft het er nou eenmaal niet op als wij te dicht bij de kant komen, want de diepte zou wel eens “steil” kunnen teruglopen van 30 naar 10 meter! Voor ons valt Engeland dus niet van het water te bekijken hoor; wij moeten daarvoor echt aan land (via een vaargeul). Het is ook inderdaad “hair raising” als je de rustgevende waterdiepten van 1 tot 3 meter (!) van het IJsselmeer gewend bent. Onderweg zien we verspreid een aantal meeliggers en tegenliggers; iedereen is aan het motorzeilen. Het is weer wennen aan die deining, maar de zee is mooi en ook van deze afstand (circa 1,5 mijl) is de kust het aanzien best waard. De 14 mijl naar Mevagissey zijn snel afgelegd en als wij daar aankomen kunnen wij naar het noordoosten toe Fowey zien liggen. Het gat tussen de havenhoofden is “huiveringwekkend” klein, volgens de gids 50 meter, maar volgens mij slechts zo’n 15 meter. Maar ach, we hoeven er niet dwarsscheeps doorheen. Eenmaal binnen ondergaan we een gevoel van teleurstelling: de deining is hier behoorlijk zwaar en, verdomd, op die ene plek aan de bakboord breakwater liggen 5 schepen tegen elkaar te wobbelen, allemaal polyester, daar wil ik verder niks van zeggen, maar die zullen vermoedelijk niet zonder slag of stoot accepteren dat een ongeschilderde alu tientonner daar nog eens buitenop gaat liggen. Het lijkt ons dan ook niet ethisch verantwoord om het te proberen, ik bedoel ik wil niemand in verlegenheid brengen. Wij zitten mekaar tijdens het rondjes draaien wel allemaal over en weer glazig aan te kijken en niemand geeft een krimp. Moet een mooi gezicht zijn geweest. Ondertussen nemen we even de tijd om rond te kijken en de aanblik van de hele haven en het dorpje in ons op te nemen. De zon was inmiddels verdwenen, in die mate dat het niet de moeite waard was een foto te nemen. Dat was wel jammer want de omgeving is heel mooi. De pieren rond het haventje worden bevolkt door dagjesmensen die hevig geïnteresseerd lijken te zijn in wat wij nou gaan doen: tussen de vissersboten aan de grond liggen of alsnog tegen de vijf bevoorrechten aan of wegwezen. Wij stellen hen ongetwijfeld teleur door voor het laatste te kiezen en laten “megavissie” “in onze spiegel kijken”. Spoedig verdwijnt het dorpje uit het afnemende zicht en zijn we op weg naar onze volgende stop: Fowey (spreek uit: “foi”). Da’s weer voor ons bekend terrein. Fowey is een bekende trekpleister voor jachten, maar het is ook nog steeds een, weliswaar kleine, commerciële haven voor kleine vrachtschepen die door een heuse pilot naar binnen en naar buiten worden geloodst. Er ligt tevens, aan een grote meerboei, altijd een sleepboot “op station”. De invaart schijnt bij harde zuidelijke winden niet van gevaren te zijn ontbloot, zeker als de stroom naar buiten staat, maar met het getij hoef je hier qua waterdiepte geen rekening te houden. Na het eerste wat smallere stuk kom je in een soort grote kom (“Polruan Pool”) waar de sleepboot markant aanwezig is aan het begin van het “Bollenveld” dat aan stuurboord is gesitueerd. Als je voorbij het stadje vaart dat op de bakboord oever ligt kun je wat industriële activiteit aantreffen, cement of kunstmest geloof ik. Maar zover zijn wij nooit gevaren; trekt niet zo. Het is de moeite waard om in Fowey een stuk van het Coastal Path af te leggen. In een halve dag kun je een rondwandeling maken over beide oevers langs hellingen, door bossen en door het plaatsje Polruan aan de overkant. Je moet dan twee keer oversteken met een (auto)ferry en één van de vele watertaxi’s. Bij ons vorige bezoek hebben wij dit gedaan; best een plezierig avontuur. Het plaatsje Fowey zelf ligt tegen een helling en heeft een fraaie bebouwing met een oude kerk in het centrum, die ook het bezoeken waard is. Achter het havenfront loopt een winkelstraat met veel pubs, restaurantjes, toeristenshops (ansichtkaarten, kunst en kitsch) en Fish and Chips zaken. Het geheel wordt, vanaf het water gezien, omzoomd met fraai groene bebossing. Het is 15.30 uur als wij binnenlopen en op aanwijzing van een gemotoriseerde havenmeester voor £ 10,30, vlak voor Pont Pill Creek, een bol moeten oppikken op 50 meter van een centraal verankerd ponton waar open vuilniscontainers op staan. Dat staat mij helemaal niet aan. Ankeren is hier, behalve praktisch onmogelijk met al die “mooring buoys”, al niet eens meer toegestaan, geloof ik en ook niet verstandig. Nou word ik toch wel echt sjagrijnig! Ik herinner mij dit opeens van de vorige keer: om de haverklap komen bootjesmensen, zoals wij, in hun rubberbootje langs en mikken, al varend, hun afval in de container. Dit lukt de een beter dan de ander; de scoringskans hangt vermoedelijk nauw samen met de mate waarin men vroeger basketbal training heeft gehad. Ik denk dat ik het hiervandaan maar eens ga proberen. Tot overmaat van ramp begint het te regenen en dat maakt de dip compleet. Noten vretend en bier zuipend ga ik kwaad naar de overkant zitten kijken. Daar bevindt zich het havenfront met water- en boodschappensteiger van dit verder uiterst fraaie en vriendelijke plaatsje. Ingeborg neemt even afstand; puzzelt en leest.

Voor anker in de Polruan Pool bij Fowey
De regen zet gelukkig niet door zodat wij in alle opzichten toch maar weer op gang proberen te komen. Het is inmiddels rond 17.00 uur, de lucht is betrokken, zwanger van het water, en het is niet echt warm als we naar de wal brommen om wat eitjes, brood, melk, sinaasappels en zulks te kopen. Wij willen ook even naar huis bellen maar de telefoons in het dorp blijken het niet te doen. De vakantiegangers en de toeristen maken terugtrekkende bewegingen, de winkels zijn dicht of bezig te sluiten; onze expeditie levert slechts een met water hervulde Sparoodfles op. Ik voel weer een dip aankomen. Hier rust geen zegen op; morgen gaan wij weer weg. De wind waait inmiddels uit het noordwesten, landwind dus, volgens de verwachtingen blijft die morgen doorstaan, ziedaar: een aansporing om er gebruik van te maken. Het zit er dik in dat we dan Plymouth (spreek uit: “plimmus”) zullen aandoen.
Achttiende dag, dinsdag 10 augustus 1999
Nog één dag tot de Eclips. Geslapen van gisteravond 20.30 uur (veel te vroeg) tot vanmorgen plusminus 05.30 uur (veel te vroeg). Ik was een beetje sjagrijnig gisteren. Het gaat nu wel weer, dank u. Het is fris, volledig bewolkt maar wel droog. Het weerbericht draait de zaken alweer enigszins terug: Niton geeft op noordwest 3 tot 4, “5 first at times, becoming variable 3 later”, met “thundery showers at first”. Die laatste blijven vandaag gelukkig uit. Even ontbijten, dan naar de kant, bellen met Marijn. Na veel gekloot lukt dit. De in Nederland gekochte telefoonkaart blijkt hier niet zo goed te werken als men ons wel heeft doen geloven. Wij redden het uiteindelijk met ouderwetse munten. Marijn klinkt opgewekt, alles gaat goed met hem en Linda. Er is nog niets kapot in huis en voorzover ze dat zelf kunnen beoordelen zijn ze nog gezond. Marijn maait regelmatig het gras bij Oma en hij heeft nog steeds verkering. Tussen de regels door kunnen wij geen onraad bespeuren. Gelukkig niks aan de hand dus. We vonden het fijn zijn stem te horen. Terug naar boord, koffie drinken, dinghy tegen de spiegel hijsen, bol los en varen maar. De wind is goed, het is bewolkt maar droog en nog voor we goed en wel op zee zijn staan de zeilen. Het is dan 10.15 uur. Wij nemen ons heilig voor het aantal motoruren vandaag drastisch te beperken. Wij gaan desnoods drijven. De zee is glad, de deining niet noemenswaardig meer. Langzaam glijdt de kust aan ons voorbij. Nu varen we eens een keer vlak langs “het kantje”. Ingeborg houdt haar billen weliswaar saamgeknepen vanwege de geringe waterdiepte (gemiddeld 10 meter), maar het moet, anders zien we niks. Als het lukken wil kunnen we deze keer het piepkleine haventje van Polperro (spreek uit: Polperro) misschien tussen de rotsen ontdekken en even binnenlopen voor een uurtje. Het ligt pal aan zee en als het goed is staat er tegen die tijd voldoende water. Polperro is zo mogelijk nog kleiner dan Megavissie en de haven valt geheel droog. De ingang is maar een meter of negen breed. Toch maar eens kijken. Als wij daar aankomen na een prachtig zeiltochtje van een uur of anderhalf langs de steile, prachtig roodbruin gekleurde kust, met hier en daar een verdwaalde boerderij of schapenhut, blijkt een groot jacht afgemeerd te liggen aan één van de twee bollen die men daar buiten de haven heeft neergepleurd. Een visserman gaat aan de andere bol liggen. Op die manier blokkeren ze de toegang tot de haven. Zo schijnt het mij toe tenminste. Vanwege de deining en toeristische activiteit in de vorm van met toeristen rondscheurende vissers gaan we het maar niet proberen. Het ziet er wel mooi uit, dat dorpje dat betrekkelijk steil tegen de helling is aangeplakt en in de goede oude tijd een berucht smokkelaarsnest was, zoals zoveel van de kustplaatsjes in Cornwall. Het lullige is dat wij al wel de zeilen naar beneden hadden, voordat we zagen dat “landen” er niet inzat. Hijsen maar weer, die handel. Foto? Vergeten! Gemoedelijk zeilen wij voort richting Plymouth en passeren successievelijk Looe Island, Looe Bay en Whitsand Bay; tot aan Rame Head, de achterkant als het ware van de hoek van de Plymouth Sound. Af en toe varen we eens iemand voorbij, dan weer worden wij voorbijgestreefd, maar dan betreft het meestal een visser of een meerromper. Het zicht is inmiddels een stuk verbeterd; je kunt van onze standplaats zelfs vaag de Eddystone Rock onderscheiden, die wij precies een week geleden ook aan stuurboord hadden maar dan de andere kant op. Recht vóór ons zien wij de Great Mew Stone liggen, een rotsklomp zo groot als Pampus en tien keer zo hoog. Dit rotseiland flankeert aan stuurboord de ingang van de Plymouth Sound, terwijl we vanuit het Westen naderen en geleidelijk bakboord uit naar binnen opsturen. Nu wij zo dicht onder de lij van het land komen, valt er niet meer te zeilen. Die nemen we dan ook weg en de motor neemt het over. Langzaam tuffen we naar het plaatsje Cawsand dat we de vorige keer voorbij waren gevaren en waarvan we toen zeiden; de volgende keer moeten wij daar voor anker en dat gaan wij nu dus doen. In de verte kun je de stad Plymouth zien liggen met daarvóór een twee kilometer lange “breakwater” met een vuurtoren er op, die dwars in de Sound ligt. Je kunt er onder alle omstandigheden aan twee kanten veilig langs varen. Het is een gigantische toegangspoort tot het achterland, de monding van de Plymouth Sound is zeker een mijl of 3 breed. Plymouth is één van de belangrijkste marinebases van Engeland. Aan de overkant zien wij achter de breakwater vóór Staddon Heights een gigantisch bevoorradingsschip van de marine voor anker liggen. Terwijl we naar Cawsand opstomen komen in de verte van zee een aantal zeer grote jachten onder vrachten zeil en met veel bemanning naar binnen koersen. Het blijkt dat deze week de Fastnet race finisht in Plymouth. Dat belooft (letterlijk) veel vuurwerk. De kust waar we langs varen biedt tot aan de bewoonde wereld van Cawsand een schilderachtige aanblik: rotsachtig, hoog, hier en daar begroeid met bomen, voorzien van kleine grotachtige inhammen en rotseilandjes. Cawsand is een klein, zo op het eerste gezicht armoedig aandoend badplaatsje, maar wel zeker de moeite waard om aan te doen, juist vanwege de eenvoud waarmee alles tegen de achtergrond van het heuvellandschap is vormgegeven. De Wing IV gaat 15.30 uur voor anker tussen een stuk of twintig andere jachten die hier voor vanmiddag ligplaats hebben gekozen. Ik zie alleen maar Engelse schepen. Wij zijn de enige buitenlanders. Na Falmouth hebben wij trouwens helemaal geen Nederlanders meer op het water gezien. Nadat de rubberboot te water is gelaten zetten wij koers naar het dichtstbijzijnde strandje, er is geen haventje, waar gezwommen wordt door enkele Engelse vakantiegangers, maar waar ook een aantal rubberboten liggen. In verband met het “wassende water” trekken wij de dinghy zo hoog mogelijk op het strand tegen de zeemuur aan de voet van een historisch gebouw waar een simpele expositie van “local art” wordt gehouden. Vervolgens, na een kijkje te hebben genomen op deze “expositie”, een duur woord voor rommelmarkt, gaan we fijn een stukje wandelen langs het havenfront, zakken aan het eind af naar het strand en lopen via de rotsen en een strandje, we zijn dan inmiddels buiten het dorp, weer omhoog tegen de tamelijk steile, met braamstruiken en gras begroeide helling, waar een, jawel, Coastal Path doorheen loopt, richting Mount Edgecumbe. Na een tijdje op het ruimschoots daar voorhanden zijnde gazon over de Plymouth Sound te hebben uitgekeken lopen we bovenlangs weer terug richting Cawsand en dalen af door nauwe straatjes richting strand. Onderweg kopen we in een winkeltje wat boodschapjes. Als de zon wat nadrukkelijker aanwezig zou zijn en je zou de bleke Engelse vakantiegangers vervangen door pikant geklede zongebruinde mediterrane schonen, zou je je in Zuid Frankrijk wanen; er zijn best wel exotische ingrediënten voorhanden: oude visserscottages in pasteltinten, winkeltjes uit een tijd zoals die bijvoorbeeld ook op de Zaanse Schans te Zaandijk wordt uitgebeeld en waar je bij het rondlopen tussen de schappen moet oppassen je kop niet te stoten tegen de hanebalken. De kroeg aan de haven is inmiddels dicht, naar boord dus maar. Lootje Lodestar ligt nog op zijn plekje op het strandje. Het heldere water klotst inmiddels tegen zijn kontje; we zijn niks te vroeg. Wij wippen hem weer het water in (heerlijk zo’n licht ding!) en dobberen op ons gemak naar ons drijvende paleis. Het ziet er naar uit dat het weer zo blijft en daarom besluiten we definitief hier vannacht te blijven liggen. Na het eten voltrekt zich het gekende ritueel van het zich installeren: Ingeborg huiverend in de avondlucht, lezend en puzzelend met een muziekje in de kajuit en ik met een zeiltijdschrift van 10 jaar geleden, een olielamp en een dikke trui op mijn kussen in de kuip onder het “kapje”. Dat tijdschrift is camouflage want ik kijk 90% van de tijd om me heen. Af en toe licht een jacht het anker en vertrekt richting Plymouth. Tot laat in de avond echter blijven er ook schepen komen. Ik begrijp dit niet goed. Bij vorige nachtelijke ankerpartijen op open plaatsen bleven wij uiteindelijk als één van de weinigen over. Nu zullen flink wat jachten hier overnachten denk ik. Tegen 11.30 uur of daaromtrent begin ik het te snappen: alle schepen op de Plymouth Sound kiezen positie voor het vuurwerk van vanavond. Ter gelegenheid van de finish van de Fastnet race vindt elke avond, volgend op de dag dat schepen finishen, een gigantisch vuurwerk boven het havenfront van Plymouth plaats. Dat is nog een flink eind hiervandaan (een mijltje of drie denk ik), maar omdat het werkelijk een gigantisch vuurwerk is kunnen wij voor Cawsand liggen er toch ook van genieten. Het vuurwerk is echt indrukwekkend en duurt zeker een minuut of twintig. Na de afsluitende knallen klinkt van de hellingen en vanaf de schepen om ons heen luid gejuich en applaus; voor ons Hollanders een vreemde gewaarwording: wie klapt er nou als de ontvanger het toch niet kan horen?! (Wie zegt dat die Engelsen zo stijf zijn?). Wij gaan naar bed. Morgen “hebben wij de eclips”!
Negentiende dag, woensdag 11 augustus 1999
Niton Radio: 08.18 uur: “Wind variable, becoming mainly southerly two or three, occasional rain for a time, visibility good becoming moderate at times in Plymouth”. Goedemorgen, Plymouth, daar zitten we, kijken of ze gelijk krijgen. Ondanks dat het een rustige nacht was, hebben wij toch onrustig geslapen. Ik begin Willem de Ruiter gelijk te geven: als je nachtrust je lief is, kun je beter niet gaan ankeren; het is het beste om maar in een jachthaven tussen vier palen te gaan liggen. Dit is niet goed voor mijn rug! Jammer dat die jachthavens juist in dit gebied niet (meer) te betalen zijn. Waarom blijf ik dit doen? Waarschijnlijk ben ik op zoek naar iets vaag romantisch, een beleving die mij zegt: ja het was het toch waard om vol te houden. Eens even graven in het emotioneel geheugen: heb ik dat soort ervaringen al gehad? Dat moet wel, anders deed ik het allang niet meer! Tegen 10.00 uur liggen dik 50 jachten om ons heen! Deze keer gaat het om de eclips, da’s duidelijk. Ze, ik bedoel we, hebben pech: de zon zit dik achter een vette jas van grauwe wolken, waaruit net geen regen valt. Achter ons, op de hellingen rechts boven Cawsand, verzamelt zich eveneens heel wat volk voor (hier citeer ik “fuckin’ giggling” Terry Wogan on BBC 2) “the event of the centuary”. Jammer, denk ik, straks ziet niemand iets, niet bevroedend hoe dicht ik bij de waarheid zit. Wij installeren ons in de kuip met een kop koffie, koek en genieten van de bedrijvigheid om ons heen. Hele gezinnen, drijvende bejaardensozen, baardige yachties, yuppen, racers, iedereen verzamelt zich op alle ankerplaatsen (neem ik aan) rond the Plymouth Sound en gaat in oostelijke richting met het hoofd in de nek naar de hemel liggen kijken. En om iets na 11.00 uur gebeurt het: binnen enkele seconden maakt het grauwe daglicht plaats voor een volledige, maar dan ook totale, duisternis. Dit is werkelijk een bijzondere ervaring, ik kan niet ontkennen dat op dat moment een huivering over mijn rug omlaag (of was het omhoog?) ging. De wereld wordt gedurende drie minuten opeens heel erg klein, de mensen op de schepen om ons heen, maar ook op de heuvel achter Cawsand, waren hoorbaar onder de indruk: een luid gejoel, gejuich en applaus steeg wederom ten hemel. Dit is absoluut maf: 11 augustus om 11.00 uur volstrekt aardedonker! Op diverse schepen begint de haan te kraaien. Ik heb mijn camera in de aanslag. Met mijn zielige flitsertje knipper ik wat plaatjes. Het kan niets wezen want je ziet niks. Maar dat is dan ook een getrouwe weergave van de werkelijkheid. Daarom staat die foto hier afgedrukt!
Het is 11.00 uur in de morgen!
Met een onwaarschijnlijke snelheid wordt het weer licht. Wat zich daarboven heeft afgespeeld konden wij niet zien maar het effect ervan overtreft naar mijn smaak elke trucage in welke film dan ook! Zo dat hebben we voor het eerst en voor het laatst in ons leven ook weer gehad en wij gaan over tot de orde van de dag. Anker op om 11.30 uur en richting River Tamar. Wij willen namelijk vandaag proberen zo diep mogelijk landinwaarts voorbij Plymouth te komen. Dat betekent met dit weer, na een lusteloos stukje zeilen door de Sound en door de smalle vaargeul, The Bridge genaamd, over de ondiepte voor Drake’s Island, een motorvaart voor onbepaalde tijd, die ons om te beginnen voert langs de marine docks in de richting van Tamar Bridge. Voorbij de Mayflower Marina, en eenmaal dwars van alweer een groot marine bevoorradingsschip dat voor reparatie aan stuurboord voor Devonport ligt afgemeerd en waar we uiteraard vlak langs varen om alles eens even goed te kunnen bekijken, worden we met grote snelheid achterop gelopen door een politiebarkas die ons te verstaan geeft aan bakboordsoever te gaan varen, omdat er een onderzeeër aankomt. Die is in de verste verte niet te bekennen. Ik doe wat me gezegd wordt, want ik zie er wel uit als James Bond, maar ik ben het helaas niet. Langzaam varen wij verder langs een buitenwijk van Plymouth aan bakboordzijde, die Torpoint heet, met een niet erg welvarend aandoende laagbouw. Een groot Kettingpontveer kruist hier de rivier. Even verderop liggen in een grote zijhaven aan stuurboord nog een aantal oorlogsschepen; een paar fregatten en een onderzeeër. Eén van de fregatten maakt zich los van de wal en wordt de rivier op gesleept in de richting van de zee. Zou dat die onderzeeër zijn? Het gaat allemaal tergend langzaam. Een mijl verderop, vlak voor en bijna onder de imposante Tamar bruggen (voor auto’s en treinen), het plaatsje Saltash met aan weerszijden jachthaventjes met drijvende steigers op dit getijdenwater. Wij kunnen ruim met staande mast onder de brug door, zeker nu het laagwater is. Met hoogwater had het ook gekund want de doorvaarthoogte is 40 meter. Er gaat auto- en treinverkeer over de brug. Eenmaal de brug achter ons, wordt het uitzicht naar weerszijden meteen wat landschappelijker en vriendelijker. Hier houdt Plymouth op. We volgen de betonning landinwaarts. Vlak voor Cargreen, vanaf het water gezien een aardig dorpje op de bakboord oever, raken we aan de grond; hebben wij kennelijk de betekenis van gele boeitjes verkeerd geïnterpreteerd. Geen nood, het is opkomend water. Wel een stom gezicht: diverse jachten die hier kennelijk de weg weten varen ons vrolijk zwaaiend voorbij. Een half uurtje later drijven en varen we weer. De zeilen hadden we inmiddels al weggehaald omdat voor zeilen te weinig ruimte is als het niet bezeild is en het is niet bezeild. Beginnend bij Cargreen liggen veel schepen aan bollen en dat blijft nog een mijltje of twee zo. Hoe verder wij het land ingaan, hoe smaller de rivier wordt en hoe smeriger; veel takken, plukken hooi en ander gebladerte drijft op de stroom mee naar binnen. Vlak voor een scherpe bocht naar bakboord zien we op de oever rechts van ons een groep mensen, kennelijk boot- of rivier zwervers, die met diverse vuren in de weer zijn. Er liggen wrakke woonboten aan gammele steigertjes met spelende kinderen en verwaarloosde honden. Alles bij elkaar biedt dit tafereel een armoedige aanblik, wat tegelijkertijd iets sinisters krijgt, als wij merken dat we worden nagestaard. Nu zien we nauwelijks nog huizen of andere gebouwen meer op de oevers staan. De rivier meandert verder het land in. Wij moeten goed het midden van de rivier houden, waar de stroomdraad de diepte het grootst houdt want het is nog lang geen hoog water. Als de zon nu zou schijnen zouden we dat heel fijn vinden, want het landschap zou er een extra dimensie door krijgen. Onze wens wordt echter niet vervuld. Het blijft volledig bewolkt, doch desalniettemin krijgen wij een heel goede indruk van de schoonheid van het landschap, dat heuvelachtig is en ons beurtelings agrarische percelen en bossen voorschotelt. Onze variabele diepgang komt hier heel goed van pas. In de Bos Atlas hebben we gezien dat het verst bereikbare punt een plaatsje genaamd Calstock is met vlak daarvóór een laat Middeleeuws kasteelachtig landhuis, Cotehele genaamd, dat wordt omgeven door een fraaie tuin, de nationale hobby van de Engelsen, waar Ingeborg zich wel in kan vinden. Na een paar bochten, we zijn dan zo’n 7 mijl landinwaarts gevaren, bereiken wij een nederzetting wat vroeger een scheepswerfje was en nu is ingericht als (openlucht)museum; er ligt een soort Thamesbarge te kijk en er zijn foto’s en nautische attributen tentoongesteld uit een ver verleden. Voorts is er een restaurant en de onvermijdelijke souvenirwinkel. Op dit plekje, 100 meter ervoor, laten wij het anker zakken en steken een meter of 15 aan ketting ,7 keer de huidige waterdiepte; dat moet genoeg zijn. We hopen wel dat ie houdt, want het stroomt nu behoorlijk hard. Nadat wij het even hebben aangezien lijkt alles in orde en laten ons in het bootje met de stroom mee naar de kant zakken. Er is een klein stukje kade waar een Engels zeiljacht ligt, dat wordt bevoorraad. Vanaf het open museumterrein loopt een weggetje tamelijk steil door het bos omhoog. Moeizaam klimmen wij naar boven, waar het landhuis Cotehele moet staan. Eenmaal boven wordt onze moeite beloond: er is een tuin die geheel gratis kan worden bezichtigd, terwijl wij het huis aan de buitenkant kunnen bewonderen. Het is een heel oud gebouw dat stamt uit de 15e eeuw, met een binnenplein, grote keukenruimte, washokken etc. Het schijnt nog te worden bewoond ook. De tuin is ondanks het druilerige weer heel fraai, typisch Engels, met dat geschoren gazon en mooie vijver, omzoomd door bijpassend struweel. Aan de voorkant van het huis kun je vanaf deze hoogte tussen de bomen door in de verte Calstock in het dal tussen de heuvels zien liggen; een plaatje als op een schilderij uit de romantische school of een welhaast Zwitsers aandoend vergezicht. Als Ingeborg haar hart heeft opgehaald (en ik natuurlijk ook, ik ben geen barbaar!) stappen wij weer langs dezelfde weg terug naar beneden. Ingeborg, nu geïnspireerd, speurt de bermen driftig af naar plantjes die zij nog niet in haar verzameling heeft en graaft als een echte mol hier en daar wat uit en stopt het in met voorbedachten rade meegenomen plastic zakjes of bakjes. De boordkwekerij kan weer worden aangevuld. Als we beneden aankomen zien we dat de kade inmiddels is overstroomd en het zeiljacht van de Engelsen nu praktisch óp de kade ligt! Onverstoorbaar baggeren zij door het modderige water om de bevoorrading af te ronden. Zij bieden ons hun ligplaats aan aangezien zij dadelijk zullen vertrekken. Erg vriendelijk van hen, maar ik bedank, ik heb niet zo’n zin bovenop de kade te gaan liggen! We besluiten om hier ook maar niet voor anker te blijven liggen de komende nacht (hadden wij dat maar wel gedaan!!). Het is me allemaal te smal en het stroomt te hard. De rivier is flink gestegen en we gaan maar gauw aan boord. In de kuip gaan wij met vreet-accessoires onder de kap zitten wachten tot het water “omkeert” zodat we terug de stroom meehebben. Het is ondertussen weer eens gaan regenen. Als het water stil staat gaat het anker op de rol en tuffen wij langzaam nog een stukje verder de rivier op tot waar we de brug vóór Calstock kunnen zien liggen. Dat is ook zo’n mooie hoge! Ervóór staan op de bakboord oever mooie bungalows en vakantiehuizen. Het is werkelijk prachtig, doet mediterraan aan. De Wing IV keert hier om en met stroom mee gaan wij dezelfde weg terug. Hetzelfde vuil dat op de heenweg met ons meedreef, drijft nu ook weer met ons mee: sommige stammetjes en takkenbossen herken ik. Nu het water zo hoog staat durf ik wat harder te varen, zodat het geen bevreemding wekt als wij in minder dan geen tijd langs de bootzwervers (niemand meer te zien vanwege het hoge water, ze zouden toch niet……?!), langs de jachten voor Cargreen en onder de Tamar Bridge varen, richting Mount Edgecumbe. Van de reeds meergenoemde vorige vakantie weten wij dat je bij Mount Edgecumbe goed kunt ankeren in een klein baaitje voor de tuinen van het (alweer) gelijknamige landhuis, vermits er niet teveel andere schepen liggen. Het is 20.30 uur als we daar aankomen en jawel hoor, er liggen 5 schepen voor anker, zodat de ruimte erg krap is. Toch gaan we het proberen. Het is twaalf meter diep dus steek ik alle ketting die ik heb. Ik ben er niet geheel zeker van of het anker wel houdt, want er groeit hier kelp op de bodem (daar hadden Dick en Elly Koopmans ook zoveel last van bij de Kerguelen Eilanden vlakbij Antarctica, zie je). Er is echter niet voldoende ruimte om hem op de motor erin te trekken. We zijn ook moe en laten het maar zo. Op de andere boten kijkt men naar onze verrichtingen maar niemand doet moeilijk. Het kuipkapje gaat omhoog en we installeren ons met een hap eten en koffie toe, waarna een stijve borrel. Wij hebben het verdiend. Het wordt een uur of 11.00 uur en jawel, kijk nou, vuurwerk en hiervandaan nog beter te zien dan gisteravond in Cawsand! Geheel graties en eersterangs liggen wij er naar te kijken. Dit soort vuurwerk zie je in Nederland maar eens in de vijf jaar (tijdens Sail Amsterdam). Als het afgelopen is gaat Ingeborg naar bed en ik blijf in de kuip in mijn slaapzak ankerwacht houden.
Twintigste dag, donderdag 12 augustus 1999
Half doezelend, af en toe lezend bij de olielamp, probeer ik zo de nacht door te komen. Gelukkig maar dat ik niet naar bed ging, want om 02.00 uur hoor ik in het donker gestommel op het Engelse jacht achter mij. Ik kan duidelijk verstaan dat het met name de schippersvrouw niet aanstaat dat ik zo dichtbij kom. Volgens mij is er niets aan de hand, maar omdat ik eigenlijk naar bed wil en het niet kan opbrengen een twistgesprek te voeren of opnieuw te ankeren, besluit ik na een tijdje het anker te heffen en naar de dichtbijgelegen Mayflower Marina te varen om daar alsnog tegen een buitenkantsteiger te gaan liggen. Omdat vermoedelijk mijn hersens afgelopen avond teveel zijn aangetast door de Beerenburg neem ik het, op z’n zachtst gezegd, merkwaardige besluit om het anker met de hand op te halen. Dan maakt het niet zoveel herrie en hoeft niemand van mijn gestuntel wakker te worden, begrijp je! Daar kreeg ik halverwege de veertig meter 8 mm ketting waar een 65 lbs C.Q.R.-anker aan hangt, spijt van. De herrie van op het dek kletterende ketting was niet van de lucht, waar Ingeborg dan ook op afkwam. Daar was ik wel blij om, Ingeborg niet. Een hernia en een kettingberg op het voordek rijker kon ik koers zetten naar de Mayflower Marina. Zonder veel plichtplegingen pleurden wij de boot tegen de kant en doken ons nest in. Ik kon nu wel goed slapen. Na het ontwaken bleek dat wij “gezien” waren door de havenjongens, dus moest er worden betaald: £ 14,= voor een “seven hour stay”, d.w.z. van 02.00 uur tot 09.00 uur. Als wij daarna nog bleven liggen moesten wij een vol dagtarief betalen; een dermate astronomisch bedrag dat ik in mijn brein niet voldoende Gigabytes voorhanden had om het te onthouden. Het was dus zaak vóór 09.00 uur het anker te hebben geklaard. Toen nam ik wederom een stomme beslissing: met de hand liet ik de volle veertig meter weer over de boegrol zakken, er niet bij stilstaande dat het hier 35 meter diep was (gekke gedachte eigenlijk dat het, anders dan in het armzalige Edam hier 2 miljoen jaar duurt voordat de jachthaven is dichtgeslibd!!), zodat het anker met ketting per meter 5 kilo zwaarder werd, althans zo leek het. Nadat alles was uitgevierd “stonden mijn hakken in het dek”, had ik een tweede hernia en waren mijn armen 3 cm langer geworden. Met de lier werd het zooitje weer aan boord getakeld, nog even water tanken en wij vertrokken hijgend uit de Mayflower Marina; “never to come back again”!!! Pas toen gingen we nadenken over onze volgende bestemming. Het was maar een klein stukje naar Yealm River; de Plymouth Sound bakboord uit, om de Great Mew Stone heen en dan meteen de smalle, fraaie Yealm River op naar Newton Ferrer. Het is daar heel mooi, maar ook heel klein, althans de toevaart is smal en voert vooral in het begin langs kritische ondiepten en eigenlijk hadden wij daar na onze recente avonturen niet zoveel zin in. Salcombe met zijn ruime afmeer-gelegenheden stond ons beter aan. Motorzeilend varen wij langs Drake Island door de uitstekend betonde geul “The Bridge”, laten de breakwater in het midden van de Plymouth Sound dit keer aan stuurboord liggen en hop, “de deur uit”. De stroom loopt tegen en het waait helemaal niet. Het wordt zonnig, dat wel. De weersverwachting weet ik niet meer. In het logboek heb ik uit meligheid opgeschreven: “vandaag geen windkracht uit het zuiden, geen weertype en wel stroom tegen, zeilvoering: ach; Niton radio: ach, ach”. In het begin proberen wij nog wel te zeilen, maar we maken hoegenaamd geen voortgang dus dat houdt gauw op. We hebben vandaag zeker 25 mijl te gaan; de motor gaat er weer bij. Die duwt de boot met een snelheid van 4 tot 5 knopen over de grond door het altijd woelige water. Het is best wel druk met tegen- en meeliggers en zo. Onderweg beleven we niet veel bijzonders en er komen ook geen mooie gedachten bij ons op, die wij eventueel aan het papier zouden kunnen toevertrouwen. Natuurlijk, we genieten nog steeds van het fraaie uitzicht op de kust die heel langzaam op een afstand van een mijl of drie aan ons oog voorbijtrekt. Maar dat hoeven we zo langzamerhand niet te blijven herhalen. Nu ik dit zo schrijf realiseer ik mij dat mijn kijk op mijn omgeving inmiddels bij tijd en wijle toch ook een déjà vu beleving oplevert. Afgezien van het onomstotelijke feit (alhoewel: ik moet mij soms in de arm of ergens anders knijpen om te zien of het wel echt is) dat wij hier varen met juist dit schip, is het varen in deze omgeving niet echt nieuw en spannend meer. Te 14.00 uur draaien wij de baai van Salcombe Harbour in en stevenen af op de bakens die in één lijn moeten worden gehouden bij het invaren. We letten niet op de waterdiepte; we kunnen hier met opgedraaide kiel bij elk tij naar binnen. Salcombe (spreek uit: “sokkom”) is werkelijk één van de fraaiste natuurlijke havens aan de Engelse zuidkust, heeft allure vinden wij. Prachtige huizen tussen hele stukken bos tegen tamelijk steile hellingen en het pittoreske stadje zelf met gezellige pubs en taverns, het lijkt de Côte d’Azur wel. Het is heel beschut met ontzaglijk veel mooring buoys, dat wel. Pas helemaal achterin, richting Kingsbridge, vind je wat plekken waar je nog behoorlijk kunt ankeren. Daar is het landschap ook heel landelijk met koeien, knollen- en graanvelden en al zulks meer. Wij willen deze keer echter een beetje voorin blijven omdat we boodschappen moeten doen in het stadje en anders is het zo’n kolere eind varen met het rubbertje. Tijdens het vergeefse zoeken naar een vrije bol worden wij uitgenodigd door een Engelsman die met een Fransman samen aan een bol hangt, om tegen hem aan te komen liggen. Ik kijk bedenkelijk, zij zijn ook niet direct klein, maar het is één van de weinige bollen die flink wat tonnage kan hebben en de andere bollen worden per stuk ook reeds “behangen” door drie of vier jachten. We hebben dus geen keus en maken gebruik van zijn gastvrijheid. Na het uitwisselen van vriendelijkheden plokkeren wij naar de kant voor “schappen” en een pint. Door de drukke scheepvaart (alleen maar jachten en motorbarkassen scheuren hier door elkaar heen, het lijkt Venetië wel) is het water hier, mede door de flinke stroom, altijd tamelijk ruw. Wij komen dus zeiknat bij de dinghy-steigers. Afijn de zon schijnt nog steeds dus dat droogt wel weer. Winkel zoeken, boodschappen doen. Pal tegenover het havenfront duiken we een “bruine” pub in om een pint te pakken. Daar treffen wij in een hoek dezelfde groep muzikanten aan die wij vanmiddag eerder op straat bijzonder fraaie Ierse volksmuziek ten gehore hoorden brengen. Zij zitten nu, met wat pinten als tegenprestatie, voor het kroegpubliek wat te improviseren en komen als vanzelfsprekend tot prachtige muziek, gebruik makend van dwarsfluit, trommel, gitaar, viool en nog wat andere onbestemde pijpinstrumenten. Uiterst gezellig. Ik krijg een heftig verlangen naar een bezoek aan Ierland om dit fulltime te beleven. Wij blijven lekker lang plakken en drinken, hetgeen natuurlijk ook de bedoeling is. Daar bekruipt ons weer dat typische “dolce vita” vakantiegevoel! Heerlijk is dat. Als de muziek stopt gaan we met een licht hoofd en zware benen terug naar de bijboot en koersen op onze “boltros” af. Ik hoop dat men in Albion van alcoholcontrole “nog niet heeft gehoord”. Via een omweg komen wij weer aan boord. De havenmeester komt zijn geld ophalen: £ 12,65. Ik kan er niks aan doen: ik vind dat ik die bedragen hier als een soort curiositeit moet vermelden. De vers gekochte boodschappen worden op omslachtige wijze toch nog omgezet in een heerlijke maaltijd, waarna het uitbuiken een aanvang kan nemen. De ontberingen van afgelopen nacht nog in gedachten gaan wij er een lange nacht van maken.
Eenentwintigste dag, vrijdag 13 augustus 1999
Neen, ik ben niet bijgelovig, wij gaan gewoon weg. Het is 09.00 uur als we ons van de buurman af laten glijden en, niet voor de eerste keer, het zeegat opzoeken. De rubberboot hebben we gisteravond reeds tegen de spiegel “geplakt”, wij kunnen dus zo weg. De volgende halte is Dartmouth. Wij willen naar Dittisham (spreek uit: ditishem), een klein dorpje een eind voorbij Dartmouth de River Dart op. Het weerbericht op Niton radio spreekt van zuid tot zuidoostelijke winden kracht 2 tot 3 en af en toe 4 Bf. Drizzle voorspelt ie ook en een goed tot matig en later zelfs af en toe slecht zicht. Geen zon derhalve. Daar kunnen wij het mee doen. Eenmaal buiten blijkt er een woelig zeetje te staan, maar de wind valt alleszins mee: er valt te zeilen! Die gaan dus rap omhoog en als wij op zee zijn kunnen wij een koers richting Start Point varen die ons in staat stelt halve wind te zeilen. Met een vaartje van ongeveer 4 knopen oplopend tot 7 knopen over de grond maken wij prachtige voortgang! Wat een verademing. Sinds ons tochtje van Fowey naar Plymouth hebben wij dit niet meer meegemaakt. Als voorspeld wordt het zicht minder en de wind neemt toe tot kracht 4 Bf. Voorbij Start Point vallen wij af richting Dartmouth tot een plat voor-de-windse koers. Tot Dartmouth hebben wij stroom mee, maar op een mijl voor de monding begint ie tegen te lopen: de rivier loopt leeg. De snelheid loopt terug tot 3 knopen over de grond bij 6 door het water. Het stadje glijdt uiterst traag aan ons voorbij, maar dat hindert ons niet. Het lijkt wel of we door dikke stroop varen. Toch motoren we nog een mijl of 3 door tot Dittisham. Hier wordt eveneens nauwelijks nog geankerd. Mogelijkheden om af te meren langs de kant zijn er ook niet. De bol die wij om 12.00 uur oppikken is een stuk goedkoper dan in Salcombe: £ 11,70. Wij ruimen de boel op en na een half uur komt een Belg langszij. Een jong gezinnetje met twee kleine kindertjes, die hier ook even de omgeving willen verkennen en daarna weer terugvaren naar Dartmouth. Aanvankelijk wilden wij met het rubberbootje een eind de rivier opvaren richting Topsham. Maar nadat we de kaart goed hadden bekeken en de rivier aftuurden in die richting zagen we daar maar vanaf: te ver en niet veel méér te zien aan landschappelijk schoon dan waar we nu lagen. Naar de kant dan maar. Wandelen in Dittisham. Vanaf de jollensteiger aan de haven (met de onvermijdelijke pub) loopt een weggetje steil omhoog en voert ons langs fraaie huisjes, waarvan er veel een vakantiebestemming hebben. Eenmaal boven loopt de weg weer vlak naar een soort centrum waar een mooie middeleeuwse kerk staat, een klein winkeltje en een hotel-restaurant. De omgeving is prachtig, aan de achterkant van het dorp is een welvarend ogende buitenwijk langs een weg naar beneden, die uitkomt op de oever van de rivier, met een speelweide, mogelijkheden om bootjes van trailers te water te laten etc. Bij laagwater kun je zo langs de oever weer terug wandelen naar de aanlegsteiger voor het dorp. Dat doen wij niet, we nemen dezelfde weg terug want wij hebben een heleboel tuinen gezien waar pruimenbomen staan. Vanaf de weg kun je er makkelijk bij. Schichtig om ons heen kijkend lopen we, onrijpe pruimen vretend, weer de heuvel op. In het winkeltje boven doen we wat schapjes, niet teveel want het is hier niet te betalen (een fles rode Genet kost £ 4,=!), drinken een pint en een bitter lemon op het terras van het restaurant, waarna wij terugslenteren naar de haven. Gezeten op een muurtje genieten wij wederom van een pint en een bitter lemon en kijken naar de drukte om ons heen. Het begint te miezeren, wat na verloop van tijd overgaat in volwassen regenbuien. Terug op de boot gaat de kuiptent omhoog met twee flappen opgerold, kunnen wij alles toch goed zien. Die regen begint ons zo langzamerhand knap te vervelen. Vandaag en op dit punt aanbeland krijgen we het gevoel dat wij Zuid Engeland voorlopig wel gezien hebben.
Tweeëntwintigste dag, zaterdag 14 augustus 1999
Ik ben om 06.00 uur “officieel” wakker. De hele nacht heb ik liggen kloten (zal ik er uit of zal ik er niet uit, ja ik ga er maar uit, zeker wetend dat ik aan dek toch niets ontdek, eenmaal aan dek, niets te zien, denkend was ik maar niet aan dek gegaan), omdat ik steeds geluiden hoorde van het touw van de bol dat langs de romp schuurde. Het is 06.30 uur als de Wing IV van de bol loskomt en moeizaam, tegen de nu naar binnen staande stroom optornend, de rivier afvaart richting zee. Het moet wel zo want op zee loopt de stroom mee richting Portland Bill. Het miezert weer (of nog) als wij eenmaal Dartmouth voorbij en op zee zijn. De gehele 43 mijl over de Lyme Bay naar Portland regent het, regent het en regent het. Ondanks de geduchte zeilkleding word ik koud en nat. Het weerbericht van 08.18 uur op Niton Radio sprak van zuidwesten tot westen wind 4 tot 5, af en toe 6 Bf met “af en toe” regen. Het zicht zou matig worden. Alles klopte behalve de windkracht. Tot aan de race van Portland Bill hadden wij de “ijzeren” spinnaker op en af en toe een lap gewoon zeil erbij. Weymouth (spreek uit: weemus) was ons doel en omdat wij niet te ver “om” wilden varen koersten wij tussen de Shambles en Portland Bill door. Dat had wel tot gevolg dat we met een, nu wel tot 5 Bf toenemende, zuidwesten wind en een kenterende stroom in onthutsend hoge en steile golven aan de rand van de “race” terechtkwamen. Gelukkig kwam op dat moment de zon tevoorschijn en zag het er allemaal wat minder dreigend uit. Ondanks het wilde schudden hoefden we ons geen zorgen te maken want de boot zorgde goed voor haar opvarenden. Vervolgens begon de stroom tegen te lopen en deden wij er een eeuwigheid over om in Weymouth te komen. Om 15.15 uur meerden we in een overvolle haven af tegen een motorjacht dat ons eerder op de dag op zee met 9 knopen was gepasseerd. Alle schepen in de haven, van origine een vissershaven, lagen aan het eind van de dag 5 of 6 dik tegen elkaar aan langs de kaden van deze stad want voor de grotere schepen waren er geen steigers. Aan de overkant kun je met schepen tot een meter of negen aan drijvende pontons terecht. Voor ons niet meer weggelegd. Weymouth is een mooie, bij de toeristen zeer in trek, badplaats met een fraai, sfeervol havenfront, veel winkels, een mooi breed en lang zandstrand (geen stenen!) en nu dus gigantisch druk met vakantie vierende, merendeels bleke, Engelsen met kinderen. Want voor deze laatste categorie is Weymouth met z’n permanente kermis en luidruchtige evenementen op en aan het strand, bijzonder aantrekkelijk. Het is ook hier dat wij voor het eerst weer een Nederlands jacht zien. We gaan meteen de kant op om wat uitgebreider boodschappen te halen: kippetjes, melk, appels, sinaasappels, 2 tomaten, worstjes, ham, eieren en mosterd. Van die mosterd kregen we later spijt; ik lust geen zoutzuur op m’n worstjes! Hier in de stad is het erg warm, drukkend, maar een welkome afwisseling met die regen. Terug aan boord weet de havenmeester ons te vinden: £ 16,50 graag voor “vijf dik” liggen met kans op breuken bij het klauteren! Een leuk gesprek gevoerd met de Engelse motorboot meneer, die zich keurig kwam voorstellen. Hij bleek met zijn boot te charteren. Vandaag verwachtte hij nieuwe opstappers. Hij was ook bekend met de Nederlandse wateren. Veel blijken van herkenning bij wat ik over Holland vertelde. Na lekker te hebben gegeten, gingen we om 21.30 uur vermoeid te kooi. Morgen gaan we, ijs en weder dienende, even een kijkje nemen in Swanage Bay.
Drieëntwintigste dag, zondag 15 augustus
Vervelende koers: plat voor de wind langs de kust van Sussex, langs Lulworth Cove (de kinderen zeiden vroeger: lulwortel kloof! (klinkt als….!)) richting St. Albans Head. De spinnakerboom gebruik ik niet meer omdat dat kreng voor mij, met míjn rug, niet te hanteren is. Het is een dikwandige boom met een uithalersysteem zoals dat door Koopmans gepropageerd en ook gebruikt wordt. Het ding is niet te tillen, daar moet iets anders voor in de plaats komen. Een “koolstoffen” exemplaar lijkt mij wel leuk. De wind is west 4 tot 5, maar zal afnemen tot 3 Bf uit uiteenlopende richtingen. Werd ook regen voorspeld? Ja, regen werd ook voorspeld. Met een hele stoet schepen tegelijk vertrokken we vanmorgen om 08.00 uur uit Weymouth. Wij dachten dat er genoeg wind stond maar dat viel weer tegen. Eerst hadden we alleen de genua opstaan, toen het grootzeil er maar bij, vervolgens de genua weer weg en de motor aan. Met de race van Portland Bill nog vers in ons geheugen kiezen we een waypoint ongeveer 5 mijl ten zuidwesten van St. Albans Head, want dat staat ook bekend om z’n “knobbeltjes” op de “Alban Ledge”. Bovendien komt op deze koers de wind niet recht van achteren. Eenmaal op ons waypoint kunnen we goed zien waar we omheen varen: aan bakboord van ons zien we richting kust zover het oog reikt een woelige zee met rare kruivers en dat terwijl er weinig wind staat. Vanaf dit punt kunnen we grandioos met halve wind om Peverill Point heen naar Swanage Bay zeilen. Je kunt merken dat het zondag is, het is bijzonder druk op het water, veel schepen motorzeilen onder de kust richting Poole Harbour of The Needles. Vóór Swanage Bay (spreek uit: swonnits bee) aangekomen zien wij in de linkerhoek veel schepen voor anker liggen. De koers is dus het midden van de baai om dan ergens op een afstand van een halve mijl van het strand voor anker te gaan, want daar ligt niemand. Het is er ondanks het gebrek aan zon druk met badgasten die met open bootjes zeilen of op waterscooters rondscheuren. Wij zien ook met grote snelheid een banaan langskomen met 7 jonge meisjes erop. Als we voor anker liggen begrijpen we waarom we de enigen zijn op deze plek: de deining is niet erg plezant! Voor ik ga verkassen snel ik met de rubberboot een grote plastic strandbal achterna die het zeegat kiest. Dat valt nog niet eens mee! Ik had gezien dat in de verte van het strand af twee semi volwassenen in een opblaasbootje verwoede pogingen deden de bal in te halen. Zij waren natuurlijk kansloos, maar bleven vrolijk doorpeddelen; dat leek mij niet zo’n goed idee, vandaar. Ik kon ze met bal weer naar het strand terugsturen. Anker op en naar de groep ten anker liggende jachten toe. Daar blijken ook weer bollen te liggen, maar op zodanige afstand van elkaar dat je best kunt ankeren. De deining is hier iets minder dus vooruit maar. Als de wind uit oostelijke richtingen zou komen, kun je het hier wel vergeten. Het plaatsje Swanage en het omringende heuvellandschap is best leuk om een tijdje naar te kijken. Tegen 18.00 uur neemt de wind die westelijk tot noordwestelijk is geworden en van de heuvelen over de baai strijkt, fors toe en voelen wij ons niet meer op ons gemak. Wij besluiten de nacht niet hier door te brengen en te kiezen voor de zekerheid die de Town Quay van Poole ons biedt. Maar daar moeten wij dan eerst nog wel naar toe. Het is weliswaar slechts zo’n drie mijl te gaan tot de monding van Poole Harbour, maar de stroom zal weldra tegen gaan lopen dus het is zaak zo snel mogelijk te vertrekken. Nou, dat kan. Het anker op en zeilen bij. Als we de “Old Harry Rocks” voorbij zijn en Handfast Point passeren zien we aan bakboord nog een mooie maar ondiepe ankerplaats, Studland Bay, waar veel jachten liggen tegenover het dorpje Studland, gevat in een wat vlakker heuvellandschap. Wij gaan toch maar door naar Poole (spreek uit: poel). Van stroom tegen merken we pas iets als we op de motor in de monding van het Poole estuarium liggen te tornen: 7 knopen door het water, 3½ over de grond. Je moet dan ook nog oppassen met die kettingpont die daar dwars overscheurt. Naast ons varen twee Engelse jachten. Op zo’n moment weet ik weer waarom ik van de Engelsen hou: zij blijven gewoon stoïcijns doorzeilen, ook al varen ze zo ongeveer achteruit! Voortdurend zenuwachtig achterom kijkend of er niet zo’n “trans channel” catamaran van 8.000 ton aan komt racen, blobberen wij langs Brownsea Island via de kortste route naar Poole, alwaar we om 19.30 uur afmeren tegen een Oyster 50. Meteen daarna komt een Hustler 33 bij ons langszij en liggen we veilig ingebouwd. Dit alles voor slechts £ 13,09, te betalen in het havenkantoortje op de kade, waar een hardwerkende scholiere haar vakantie doorbrengt met het bestieren van de gehele haven. Tegenover de kade waar wij liggen zijn scheepsinrichtingen voor de commerciële vaart. Er ligt een grote coaster van een onduidelijke nationaliteit, die door een paar bemanningsleden op een vlotje buitenom wordt geschilderd. Poole vinden wij niks aan. Het is een tamelijk grote stad met een grauwe uitstraling, het heeft een belangrijke “Fish and Chips” cultuur, een uitgestorven vuile winkelstraat vlakbij de haven, met niet echt fraaie panden. De urbanisering heeft ook hier toegeslagen; de vooruitgang weet u wel? Verderop maakt een kermis een hoop herrie. De gebouwen langs de kade zijn wel netjes en vrij nieuw, maar het staat er allemaal een beetje zielloos bij. Misschien wordt het “verder de binnenlanden in” beter, maar op dit uur hebben wij daar geen zin meer in. Het begint al te schemeren. Wij halen patat en voegen daar kouwe kip, appelmoes en een eitje aan toe, waardoor het toch nog een alleszins eetbaar geheel wordt. De Oyster buurman kent Nederland ook, is verrukt van het IJsselmeer maar de waterdiepte daar baarde hem zorgen met z’n 2,2 meter diepgang. Hij komt van de oostkust af (Ipswich), dan zou ie toch niet moeten tobben over zijn diepgang als ie op het IJsselmeer zit, dacht ik zo. Nog een tijd zitten kletsen met hem. Aardige vent. Mooi schip heeft hij. Zou ik ook willen hebben; het wordt een Contest 48 of een Oyster 50, denk ik. Wederom dodelijk vermoeid tuimelen wij ons bed in.
Vierentwintigste dag, maandag 16 augustus 1999
Bij het opstaan ontwaren wij een waterig zonnetje. Er is geen wind. Gooien om 08.30 uur los, beetje stroom tegen als we de Pool Estuary uitvaren. Buiten begint de stroom mee te lopen richting The Needles. Geen wind dus motoren. Bij Yarmouth (spreek uit: jarmus) op Wight begint het lekker te waaien, dus stoppen wij. Gooien nog vóór het “bollenveld” het anker uit in 3 meter diep water. Het weer lijkt wat instabieler te worden; er trekt een frontje over. We wilden boodschappen doen in Yarmouth want dat was wel weer nodig. Maar ja, de boot lag dan wel in z’n eentje op de Solent aan z’n ketting te rukken. Als we naar Chichester Harbour nog flink wat stroom mee wilden hebben was er niet genoeg tijd om rustig te ankeren. De wind was aflandig dus waagden we het er maar op en voeren met “grote snelheid” in de rubberboot naar de haven. En wie o wie lagen daar direct rechts van de haveningang tussen twee palen? Peter van Gerven en Kees Veld (d.w.z. hun schepen dan!). Begroetingen over en weer en gezellig even bijkletsen vanuit het bootje. Zij zijn op weg naar de overkant en willen dan langs de Franse kust terug. Wij wensen elkaar goede vaart en spoeden ons naar de kant voor haastige boodschappen want we willen de boot niet te lang alleen laten. Vanaf de kade kunnen we hem niet eens meer zien. Ik denk dan meteen dat ie al bij Lymington (spreek uit: limmingtun) drijft. Opschieten, opschieten. Vlees, kaas, drank (want ik raak er aardig doorheen) melk, fruit, groenten en hop weer ‘t bootje in en terug. Nog een zwaai naar Peter en Kees en hun mede-opvarenden waarna het woelige sop van de Solent ons flink nat spat op weg naar de Wing IV. Jezus, wat ligt ie ver weg! Anker op, zeilen omhoog en naar Chichester Harbour. Die vlieger gaat mooi niet op want als we naar het Noorden kijken boven het vasteland ter hoogte van Southampton (spreek uit: saussempton) ontwikkelt zich een inktzwarte massa, dat je dat gewoon niet wil weten!
Kort na deze opname werd de lucht geheel zwart.
Het zeilen gaat best lekker, maar wordt nu overschaduwd door de bijzondere dreiging die van deze lucht uitgaat. Om nog meer snelheid te maken gaat de motor er ook nog bij. Het tij begint ook al te kenteren. Bij Cowes slaan we vlak langs de “Royal Yacht Squadron” haastig rechtsaf en duiken de Medina River in. De grootste en duurste jachthaven van Cowes varen we voorbij en bij de buurman, de Cowes Corinthian Yacht Club zwaaien wij stuurboord uit en kwakken ons schip aan lagerwal tegen een kopsteiger aan, maar jawel, dan barst de bui los en regent het pijpestelen en als ik zeg pijpestelen, dan bedoel ik ook regenpijpstelen. Binnen 1 seconde raken wij beiden van de regendruppels, die elk circa 20 centiliter water bevatten en het zijn er miljoenen, tot op de huid volstrekt doorweekt terwijl we bezig zijn met de afmeerhandelingen. God gloeiende! Nou ja, naar binnen maar en “droge klere” aantrekken. Heel toepasselijk verkeerden wij op dat moment in een “zeikbui”, welke nog een extra dimensie kreeg toen wij vernamen welk bedrag we moesten bijdragen aan het welzijn van de vereniging: £ 22,=! Toch zijn Engelsen aardige mensen. Uit balorigheid (andere mensen gaan in zo’n geval naar de kroeg om zich te bezatten) gaan wij nog een keer boodschappen doen; de poort uit rechtsaf de hoofdstraat door, een straatje links omhoog en dan een grote supermarkt in. Goed voorzien van spullen zijn ze hier, net of Engeland geen derde wereldland is (just kidding). Terug in de haven komt er een jacht bij ons aanleggen. Ik kan er niks aan doen, ik ben chagrijnig, ik vind het niet leuk dat ie dat doet, terwijl ik 70 piek voor deze k..plek moet betalen! De enige troost die ik heb is dat hij ook 70 piek moet betalen en daarvoor moet hij ook nog eens over mij heen klimmen. Ik weet het, ik weet het: ik ben geen “likeable person”. Ik geloof dat, waar het het bezoeken van het perfide, maar vooral dure Albion betreft voor mij zo langzamerhand het spreekwoord opgaat: “if you can’t stand the heat: stay out of the kitchen”(met welke constatering ik het gras voor de voeten van menig criticaster wegmaai). Tot overmaat van ramp bleek het douchen ook nog bijzonder ingewikkeld te moeten verlopen met een mystieke knoppendans die tien minuten duurde, voordat enig warm water werd waargenomen, waarna het wat mij betreft wel gedaan was met deze dag. Oh ja, op een zeker moment konden wij, starend over de rivier, de families van Gerven en Veld voorbij zien stuiven richting de binnenlanden van Wight! Volgens mij was dat geografisch/mathematisch gezien wel de correcte, maar niet de meest verstandige koers naar Frankrijk! Kees zwaaide nog naar ons, Peter niet, die ging te hard, was al voorbij.
Vijfentwintigste dag, dinsdag 17 augustus 1999
Slecht geslapen door de drank en het deinen. Van dat laatste heb je in deze haven veel last als het op de Solent niet rustig is en van dat eerste daarmee automatisch ook. Zoals gebruikelijk zijn we vroeg wakker en om 08.00 uur varen wij weg uit Cowes, een somber ogende Solent tegemoet. Het weerbericht van 08.18 uur belooft ons westen tot zuidwesten wind kracht 3 tot 4 Bf, toenemend tot 5 en 6 Bf, met een matig tot goed zicht, vergezeld van regen of regenbuien. Als alles klopt hebben wij tot Brighton de stroom helemaal mee. De lucht is volledig betrokken, maar we zijn blij dat er wind staat uit een gunstige richting. Bij No Mans Land Fort gaat de motor uit, die tot dan toe heeft bijgestaan vanwege electrotechnische redenen. De snelheid is dan inmiddels, onder genua I, stagfok en 1 x gereefd grootzeil, opgelopen tot 7 knopen door het water en 9 knopen over de grond. Het weerbericht geeft te denken want dat wordt bijgesteld: de verwachting is nu windkracht 6 Bf met “thundery showers”, zodat je mag verwachten dat er misschien wel meer wind in zit. Dat blijkt ook te kloppen. Uiteindelijk wordt het 7 Bf. Tegen de middag reef ik de Genua tot een kluiverformaat, zodat samen met de stagfok en het 1x gereefde grootzeil een uitgebalanceerde combinatie ontstaat, die de Wing IV met een snelheid van 8,5 knoop door het water en somtijds 10,5 knoop over de grond in de richting van Brighton voortjaagt! Met de toenemende wind uit zuidwestelijke richting en de lagerwal naderend neemt het onrustgevoel bij ons beiden toe. We houden ons flink. Een mijl of 5 voor Brighton ligt een zandschip of iets dergelijks doodleuk z’n werk te doen, terwijl het ons flink dwars in de weg ligt en sleepboten of bevoorradingsschepen tergend traag naar hem, maar ook naar ons toe varen. Flauwekul natuurlijk, er is ruimte genoeg om te manoeuvreren, maar toch is er de spanning die je met deze wind en zeegang niet wilt hebben! Het sturen vereist steeds meer oplettendheid om niet uit het roer te lopen. Met de Wing III zouden we allang “grappige” situaties hebben gehad, maar nu is er zelfs vlak vóór Brighton en dus aan lagerwal in golven van circa 3 meter hoogte, nog redelijk te werken bij de mast om het grootzeil te strijken, terwijl Ingeborg het roer houdt. Ik moet wel even aan Erik van de Dagmar denken die mij aanraadde een hekwerk rond de mast te plaatsen. Als het grootzeil eenmaal weg is en de kluiver ingerold, varen wij met toegenomen zelfvertrouwen en slechts onder stagfok op de haveningang van Brighton af. Het gaat wél vreselijk tekeer moet ik zeggen! Wij zijn blij als het schip weer een horizontale houding aanneemt terwijl we tussen de groene en rode boeitjes de gigantische, kunstmatig aangelegde jachthaven indraaien. Het waait evengoed stevig in de kom waar de meldsteigers liggen. Niettemin meren wij zonder averij af. In tegenstelling tot een groot en zwaar Belgisch jacht (een soort “Fisher” geloof ik), dat vlak na ons binnen komt, onnodig aan lagerwal wil afmeren en pardoes een kras van een meter lang en een centimeter diep in zijn polyester vaart omdat het begrip “stootwil” bij hen nog niet geheel en al ingeburgerd is. Mijn assistentie bij het afhouden was vanwege de grote massa vergeefse moeite. Terloops keek ik naar de forse preekstoel op een soort boegspriet die bij een vorige gelegenheid reeds onzacht met een kademuur of zoiets in aanraking moet zijn gekomen, want al dat niet geringe roestvrijstaal stond haaks op het schip. Toen begreep ik ook dat onze zuiderburen zich niet zo druk maakten om de niet onaanzienlijke kras in de (dikke) huid. Goedgemutst omdat onze boot het vandaag weer heel goed heeft gedaan, meldden wij ons bij de jolige havenmeesters die op de kop van de hoofdsteiger een goed uitzicht hebben op het havengebeuren. De havenmeesters doen het óók goed: £ 22,80 is de dagkoers! (Eigenlijk hartstikke goedkoop voor een 40 voeter, alhoewel ik moet toegeven dat ik de Wing IV bij de havenmeesters altijd “verkoop” als een 38 voeter, sinds Bart Root mij nogal fanatiek heeft uitgelegd en nagemeten dat wij een Koopmans 38 hebben gekocht! Ik vond dat toen helemaal niet aardig van hem, maar in Groot Brittanië ben ik hem daar dankbaar voor). Wij krijgen een fraaie box toegewezen met de kop in de wind omdat de havenmeesters ons meteen maar voorspellen dat we hier zeker nog een dag zullen blijven liggen. Het volgende weerbericht maakt ons inderdaad duidelijk dat we morgen hier verwaaid zullen liggen. Het zal dan zuidwest 7 tot 8 Bf zijn met bijzonder ruwe zeeën rond de “Headlands” (Beachy Head onder andere). Wij stellen ons daar maar op in: trekken de kuiptent omhoog, doen voor de vorm boodschappen in de grootste (zo lijkt het tenminste) supermarkt ter wereld op het terrein van de jachthaven, pakken een pint, koekeloeren met de oren voor de ogen op de steigers naar Nederlandse jachten, en niet zulke kleintjes ook, die hier opeens in groten getale liggen, nestelen ons op de kajuitbank met Vrij Nederland, klassieke muziek en (jawel, hij kan weer hoor!) een pint.
Zesentwintigste dag, woensdag 18 augustus 1999
Ons scheepsjournaal toont vandaag een bijzonder korte tocht: Brighton – Brighton. De weersverwachtingen komen uit en hoe: de golven breken op de merkwaardige, maar gigantische tonvormige betonnen breakwaters van de Brighton Marina met een kracht die het schuim tientallen meters omhoog perst, waarna alle jachten in de haven telkens met fijn, wit en vooral zout schuim worden besproeid. Sinds gisteren bouwen de zeeën zich in een loeiende zuid tot zuidwester van 8 Bf op en worden steeds hoger, waardoor het water zelfs in de haven ietwat onrustig wordt. De jachten aan de buitenkant rukken behoorlijk aan hun landvasten. De havenmeesters zitten in hun hok met een grijns op hun smoel van: “we hebben het toch gezegd en morgen lig je hier ook nog!” Het regent gelukkig niet en het is zowaar zonnig, zodat wij het plan opvatten naar het centrum van Brighton te wandelen, beseffend dat het een kolere eind is. Maar met de Nike-Air-Jerusalems moet het lukken. Het is inderdaad een eind, maar we genieten. Het intensieve autoverkeer dat we lang niet meegemaakt hebben, de louche personen die onder de boulevard in de nissen onduidelijke handeltjes uitvreten, de tiepmiepen in hun zwartwitte pakjes die in hun lunchpauze op een bankje, traag hun sandwich (her)kauwend, over zee zitten te staren, de statige typisch Engelse gebouwen langs de boulevard, waarvan een boel in de steigers staan, gewone voorbijgangers waar je geeneens aan kunt zien of het nou Engelsen zijn of niet…, heerlijk allemaal. Lopen maakt dorstig en stimuleert de dikke darm. Voordat wij het centrum hebben bereikt moeten we een pub induiken voor een pint en sanitaire handelingen. Ik heb een zwak voor Engelse pubs. Ik zou daar uren kunnen doorbrengen met zwijgend om me heen kijken, in de hoop dat er een Ierse Folk Music Group komt opduiken. Nog afgezien van de mogelijkheid dat de lokale Britten dat misschien niet leuk vinden, heeft Ingeborg daar totaal geen geduld voor en ook geen trek in en dat is mijn behoud. In Brighton ontdekken wij voor het eerst een echt en heel gezellig centrum met een fraai, drukbevolkt parkje in de buurt van het kitscherige, maar voor een negentiende eeuwer superluxe, optrekje in Indiase stijl vormgegeven, van Prins Edward of Albert huppeldepup (destijds lid van het huidige Britse vorstenhuis) die dit pand, The Royal Pavillion heet het geloof ik, slechts liet bouwen en gebruikte voor activiteiten waar wij allen altijd wel voor voelen maar op den duur geen stamina meer voor hebben en de gevolgen ervan niet kunnen of willen betalen! Hele horden bejaarden, Japanners, vrouwenpraatgroepen, buitenlandse studenten verenigingen, “debating clubs” en dergelijke wachtten geduldig, om niet te zeggen: gelaten af of ze uiteindelijk vóór sluitingstijd en tegen een vergoeding van een pond of tien per persoon nog naar binnen mogen. Het is hoogseizoen tenslotte. Wij hebben genoeg aan rond koekeloeren in de hal met oud meubilair, vergeelde portretten en kassa’s en laten onze beurt voorbijgaan. Dwalend door de drukke straten en steegjes met veel gezellige winkeltjes, eettentjes en pubs krijgen wij ook honger en strijken neer in een piepkleine theesalon voor een broodje met het een en ander. Het verkwikt ons in aanzienlijke mate en geeft weer energie om verder te lopen. De zeekant trekt. Op de boulevard kijken wij gefascineerd naar een eenzame zeiler die zich met zijn jachtje op deze wilde zee, evenwijdig aan de kust, voorbij de kermispier tracht te worstelen in de richting van Brighton Marina. Hij vaart onder een stormfokje en 3 x gereefd grootzeil. Door de grote zeeën lijkt hijweinig vooruitgang te maken, maar als je even niet kijkt blijkt hij toch weer een eind te zijn opgeschoten. Op een gegeven moment, we zijn dan alweer aan het terugwandelen, zijn wij hem zelfs uit het oog verloren. Linda doet vandaag tentamen en wij hebben beloofd te zullen duimen voor haar en dat doen we al wandelend dan ook! Tamelijk uitgeput komen wij weer op de haven en gaan wat rommelen op de boot. Ingeborg gaat lezen. Ik ga de kuip cleaneren want dat wordt hoog tijd. Het blijkt aardig te lukken. Na een tien minuten stop ik, moe maar voldaan. Volgend jaar verder. Samen nog even een wandeling doen langs de appartementen gebouwen naar het begin van de oostelijke breakwater. De middag is dan al een eind gevorderd. Vanaf de breakwater kun je bij helder weer een heel eind kijken in de richting van New Haven, de “Seven Sisters” en Beachy head. Een prachtig uitzicht! De wind lijkt af te nemen. Vanaf het kiezelstrand zijn surfers bezig in de lij van de breakwater. De zon is al achter de heuvels gezakt en werpt nog een laatste onwezenlijke gloed over het landschap. De zee neemt nu absoluut af en ik bestook Ingeborg meteen met bespiegelingen over morgen vertrekken enzovoorts. Zij is daar duidelijk nog niet aan toe. Door de nu nog luxe en decadente, maar daardoor straks ook verpauperende (let maar op mijn woorden!), villawijk die achter de haven is gebouwd en waar de bewoners aan de “cliffkant” een eigen ligplaats bij het appartement hebben, lopen wij terug naar de hoofdingang van de jachthaven. Als we bij die appartementen vlak langs de waterkant lopen, kunnen wij in het 4 meter diepe (nog) heldere water autobanden, winkelwagens en ander onbestemd materiaal op de bodem onderscheiden. Dat ik zo snel gelijk zou krijgen had zelfs ik niet gedacht! Ondertussen zoefden Jaguars en Rolls Royces ons voorbij! Ik krijg meteen rare associaties als deze: het toppunt van decadentie lijkt mij een Rolls Royce onder water naast je boot! Ingeborg zegt: hou nou op met je sarcastische gezeik, je bent gewoon jaloers! En zo is het. Terug op de haven belooft het weerbulletin op het publicatiebord véél voor morgen: west tot noordwesten wind 3 tot 4 Bf , later 5 Bf. We zullen zien. Misschien kunnen we dan mooi een “dubbel tij” pakken naar Dover.
Zevenentwintigste dag, donderdag 19 augustus 1999
Nou, dat weerbericht op de haven was waarschijnlijk bedoeld om muiterij onder de jachtschippers te voorkomen of juist te bevorderen (wie zal het zeggen), want er klopte geen flikker van! Des avonds reeds gaf de navtex een west tot zuidwesten wind op, kracht 6 tot 7 Bf, “8 at first”. Het zou in de loop van de dag wel afnemen tot 5 Bf. Dit hele verhaal klopte beter want de wind gierde s’nachts door de verstaging en ook s’morgens werd veel lucht verplaatst. Om 08.18 uur echter kwam Niton radio de havenmeesters toch tegemoet door te voorspellen dat het 4 tot 5 zou worden met af toe een zesje ertussendoor en in de middag zelfs afnemend tot 3 Bf. Over het zicht en de regen maakten wij ons allang niet meer druk. De ochtend vorderde, we hadden aarzelingen. De windrichting was wel goed en het zou zo’n zonde zijn van het tij! Het waaide weliswaar minder hard dan gisteren, het felle en vlagerige was er vanaf, maar we (Ingeborg) hadden zo onze bedenkingen. Maar je weet hoe het werkt hè: de een na de ander trekt aan zijn stutten en steekt de neus in zee. Vooral Nederlanders. Omdat ook wij Nederlanders zijn besluiten wij ook maar te vertrekken. Het is 10.30 uur als we de betonnen kolossen achter ons laten. Dat was even wennen. De zee was nog behoorlijk hol en het waaide flink. Gelukkig hadden wij het grootzeil met één reef reeds in het bassin van de jachthaven gehesen. Eenmaal buiten hoefden we slechts de genua en de stagfok uit te rollen om met een fabeltastische snelheid voor de golven uit te snellen. Het sturen viel in het begin niet mee. Het anticiperen op de bewegingen van het schip in dit soort zeeën (lagerwal, korte, circa 3 meter hoge golven) vereiste gewenning. Maar na verloop van tijd werd het een feest. Ik heb het al eerder gezegd: het schip is fantasties! Zij regelt (bijna) alles voor ons; neemt alle zeeën als een vorst(in). De snelheid bij bakstagwind onder 1 x gereefd grootzeil en stagfok plus gereefde genua (“kluiver”) was gemiddeld 7,5 tot 8,5 knoop door het water. Daarbij werden we door de wilde waterbewegingen nu en dan nog min of meer afgestopt ook. We raken steeds beter gewend aan de golven. Zelfs Ingeborg staat, nadat zij eerst een poosje om zich heen keek als een benauwde kat op de kattebak, een tijdje “stoer aan het roer”
.
Ingeborg in “zware zeeën” aan het roer
We laten Beachy Head flink aan bakboord liggen en sturen daarna iets meer in naar de kust. Eventueel kunnen wij, als de weersomstandigheden verslechteren, zo Eastbourne aanlopen. Het blijkt niet nodig. Alles gaat goed en tenslotte bereiken wij, zonder hier te noemen bijzonderheden, om 19.00 uur de haven van Dover: in 8,5 uur hebben wij 60 mijl afgelegd. Voorwaar, een prima prestatie. Wij waren van plan te ankeren in de voorhaven van Dover. De “swell” is echter zodanig dat ik hier maar vanaf zie en aanleg in de voortreffelijke nieuwe jachthaven vóór het Wellington Dock, waar wij op de heenreis ook terechtkwamen. Voor de laatste keer schuif ik de dienstdoende havenmeesteres een niet nader te specificeren “typical amount of English money” toe. Niettemin wensen wij haar een prettige nachtwacht toe, zij kan er ook niets aan doen. Wij ronden deze voortreffelijke dag af met zelfgebakken spare ribs, piepers, salade en een glaasje rode wijn.
Achtentwintigste dag, vrijdag 20 augustus 1999
Ja, Willem de Ruiter, het is 05.15 uur, we zijn wakker, het is practisch nog donker en we vertrekken, want de stroom eist dat van ons! Wij hebben de mazzel dat we nogal licht slapen en weinig slaap nodig hebben (denken we). Met nog heel veel meer Nederlanders wordt de Straat van Dover bestormd. De weersverwachting later op de ochtend om 08.18 uur (Niton radio) was nog oost tot noordoostenwind kracht 3 Bf toenemend tot 4 of 5 Bf met goed zicht. Weet je wat het “buiten” om 06.00 uur blijkt te zijn? Jawel: noordwest tot westenwind kracht 4 tot 5 Bf. Mij hoor je niet klagen. Dit is een voortreffelijke koers. We spuiten met Genua I en ongereefd grootzeil de Shipping Lanes over. Om 09.30 uur waren wij reeds dwars van de Dunkerque boei. In de Channel vóór Duinkerken, ergens dwars van Gravelines, ging de stroom tegenstaan, maar wij gingen zo snel door het water dat dit door ons als weinig bezwaarlijk werd ervaren. Duinkerken is dan helemaal geen optie, want: “time is on our side”. Het is pas 14.30 uur als wij tussen de pieren van Nieuwpoort varen. In deze Belgische haven, de VVW waar wij altijd gaan liggen, ontmoeten wij Wim en Maria Högemann. Zij nodigden ons bij hen aan boord uit voor een gezellige borrel. Des avonds zijn wij, in weerwil van onszelf en achteraf gezien met spijt, van onze laatste frankskes uit eten gegaan in het restaurant op de haven. Ik zeg met spijt, want mr. Fawlty is, naar mijn gevoel, “losing his touch”: vermoei(en)de humor, slappe tong (de vis) en taaie schnitzels. Nou was het natuurlijk ook al 20 augustus en het seizoen dus al heel oud en misschien was hij het wel zat om al die ouwe, geile, vreet- en zuipgrage bootjesmensen te bedienen. Na kennismaking met het nieuwe “jonge honden” havenregime (Kamiel en zijn vrouw zijn verdreven en verdwenen; zij kweken bijen en schapen en telen honing en wol en dergelijke), vinden wij dat de “sjeu” er hier een beetje af is, maar ja Nieuwpoort is Nieuwpoort hè en veel keus is er verder niet. Nog één keer bestellen wij bij de zoon van Kamiel die langs de Belgische kust de belastingvrije verkoop van slechte zaken (drank, stank en sigaretten) praktizeert, wat bier, bessengenever en een can met 5 liter vieux van onbestemde herkomst. Dit zal morgen worden afgeleverd, waardoor wij de stroom naar het noorden tegen zullen hebben. Dit kan ons echter niet veel schelen, want we hebben nog tijd zat.
Negenentwintigste dag, zaterdag 21 augustus 1999
Weerbericht: Niton radio 08.18 uur: Northerly 3 to 4, Showers, Good. We hoeven gelukkig niet vroeg op; het is gek maar we hebben steeds meer moeite met vroeg opstaan. Zouden we moe zijn van de vakantie? De zoon van Kamiel komt de spullen brengen en vertelt ons de laatste stand van zaken over zijn ouders. Ze zijn gezond en hebben het bijzonder naar hun zin met hun beestenboel. Hijzelf maakt een weinig geïnspireerde en gemotiveerde indruk. Dat zal wel te maken hebben met het verdwijnen van zijn zaakjes vanwege de Europese gelijkschakeling. Wij tanken geen diesel; de tanks hebben nog voldoende in zich om het seizoen “uit te dienen” en we zitten niet te wachten op problemen met de Nederlandse douanedienders. Tot nu toe hebben we 90 motoruren achter de schroef en daar kunnen zo te zien nog wel 70 of 80 bij. Het lijkt echt wel of de motor slechts 2 liter per uur geconsumeerd heeft! Ik wens geen commentaar hierop! Wij gaan de Högemannen een laatste groet brengen (zij gaan naar Duinkerken) en varen om 10.30 uur stuurboord uit van de pieren van Nieuwpoort. De zee is woelig en er staat te weinig wind, uit welke richting dan ook. Het duurt dan ook niet lang of het grootzeil fungeert als slingerzeil, terwijl de Wing IV zich met tegenstroom een weg ploegt over de banken richting Oostende. De stroom valt overigens wel mee, het gaat vrij snel en Oostende eenmaal voorbij wordt het qua windrichting de moeite waard de Genua erbij te trekken. Door niet te veel te willen knijpen en om toch vaart te houden belanden wij voor de pieren van Blankenberge en moeten we daar de motor starten om motorzeilend de pieren van Zeebrugge te “pakken”. De oversteek van de doorgaans drukke maar nu rustige vaargeul levert geen enkel probleem op en, eenmaal gepasseerd, kunnen wij volop zeilen richting Vlissingen. Het blijkt dat bij een koers van iets ruimer dan aan de wind bij windkracht 4 Bf de combinatie grootzeil, kotterstag en een klein beetje ingerolde Genua I het meeste rendement oplevert! Een grote Colin Archer van wel 15 meter of zo (in Vlissingen op de steiger nagemeten) houden wij prachtig bij. Op de grens van Nederland en België is het ons wederom gelukt via de GSM contact te leggen met Linda. Alles nog steeds goed met hen. Oh ja, ik heb onderweg nog een prachtidee opgedaan! Tussen Oostende en Nieuwpoort kwam ons een Brit tegemoet met een Westerly (jawel), die zijn genua had uitgeboomd, geen grootzeil voerde, maar nóg een genua als een dubbelfok voerde over zijn dwars uitstaande giek! Dat gaan wij natuurlijk ook proberen (ik weet nog niet wanneer, want daarvoor moet je voor de wind varen en een koolstoffen spiboom hebben). Eigenlijk waren we van plan naar Breskens te gaan, maar we dachten: laten we eens ruig doen en van gebaande paden afwijken! Het werd dus Vlissingen. Opeens moet ik denken aan Falmouth. Het landschap tegenover Falmouth en achter Trefusis Point heet Flushing (zie kaartje). Dat moet ik toch eens onderzoeken; er moet een connectie zijn! Na een heerlijke zeildag bereiken wij circa 19.00 uur de geboorteplaats van Michiel Adriaansz de Ruyter. Die eikel heeft het toch maar mooi geschoten, dat ie zo’n driehonderd jaar na zijn dood nu nog als bronzen standbeeld over de Westerschelde staat te koekeloeren! Vlissingen, wat een verademing! Eerlijke vislucht, eerlijke haventarieven (ƒ 38,=!), knetterende brommers, brallende tieners onder “het standbeeld”. Ik moet zeggen: het is na 4 weken weer eens wat anders. De jachthaven aan de buitenkant is heel smal en doet klein aan; je moet door een supersmalle sluis die vooral bij laagwater (onnodige) rillingen oplevert. Het aanleggen aan zo’n vingersteiger gaat wonderwel goed en we liggen prima in het centrum van Vlissingen. Wij ruiken de Nederlandse “Fish and Chips” al! Want dat is wat we eten: patat met een zalige bak vol lekkerbek met Ravigotte saus, Jezus, waarom gaan we eigenlijk helemaal naar Engeland! Na het eten gaan we wandelen over de fraaie, drukke, maar daardoor nu bijzonder gezellige boulevard, waarlangs de zeeschepen bijna onder handbereik vanaf de Westerschelde naar zee trekken of juist van zee af de Westerschelde opkruipen. Alles en iedereen straalt luxe en rijkdom uit, zo voelt het tenminste. In de flats pal aan de boulevard kun je bejaarden tevreden (neem ik voor het gemak maar even aan, want het zijn echt geen armeluisbedoeninkjes) over zee zien staren. Zij hebben het verdiend (neem ik ook maar even aan). De komende jaren zal ik dit onderwerp wel vaker en indringender aansnijden!?
Dertigste dag, zondag 22 augustus 1999
Uitgeslapen tot 08.00 uur. Mooie dag wordt het; onbewolkt, zonnetje schijnt, weinig wind. Een uitgelezen dag voor een tochtje op de klapfietsen. Na het ontbijt slepen wij de fietsjes over de steiger, de steile loopplank omhoog en over de muurtjes rond de haven naar de straat. Langzaam peddelen we over de boulevard richting Zoutelande. Een paar jachten tornen moeizaam op de motor tegen de stroom in richting zee. Aan het eind van de boulevard staan we een tijdje stil en kijken uit over de zee. Pal achter de duinen langs loopt langs de kust een fraai fietspad, afwisselend door bos en duin en langs vakantie bungalows en campings. Om de kilometer of zo is er een opgang naar het strand. Ingeborg wil naar Zoutelande omdat zij daar jeugdherinneringen heeft liggen. Zoutelande was voor haar en haar familie één van de eerste en prettigste vakantiebestemmingen. Na een uurtje fietsen, wat mij niet erg goed bekomt “qua rug en reet”, geraken wij bij een camping die Ingeborg duidelijk nog kan herkennen als de plek waar zij destijds meermalen kwamen. Zelfs de naam van de eigenaar/exploitant is nog dezelfde. Verder is natuurlijk wel veel veranderd, maar dat is na veertig jaar niet zo gek. We kijken even rond doch treffen geen bekenden aan en fietsen weer een stukje terug naar de opgang van het strand, waarvan Ingeborg destijds de treden heeft geteld: het moeten er 700 zijn of daaromtrent. We zetten de fietsjes op slot en lopen naar boven en, eenmaal boven, aan de andere kant weer naar beneden. Wij tellen nu niet meer dan 250 treden (godzijdank). Of Ing moet destijds nog wat moeite met tellen hebben gehad of het duin is grotendeels afgegraven. Omdat wij het laatste als onzinnig van de hand wijzen houden we het maar op het eerste. Op het terras van de strandtent direct naast de (supersteile!) neergang gaan we zitten voor een kop koffie met appeltaart. Aah…., wat doet dat een mens toch goed. Dezelfde jachten die we bij Vlissingen zagen, komen hier nu pas langs. Dit bewijst in elk geval dat wij harder fietsen dan zij varen. Via Zoutelande zelf, een soort De Koog zoals op Teksel, maar dan in Zeeland, met alleen maar vakantiewoningen, pensions en een na de tweede wereldoorlog herbouwde middeleeuwse kerk, komen wij op het fietspad naast de provinciale weg richting Biggekerke terecht. Dat blijkt een echt dorp te zijn en qua dorpsgezicht veel mooier en sommige van de bewoners maken de naam van hun dorp geheel waar. Snel zijn we er doorheen en weer op weg richting Vlissingen. Gelet op de toestand van mijn onderrug en het verlengde daarvan is het zaak snel weer op de haven terug te keren. Vlissingen blijkt nog erg groot te zijn. Eenmaal aan boord, het was alweer na twaalven, klap ik opgelucht en dankbaar de fietsjes klein en berg ze weer veilig weg onder de voorkooien. De middag wordt, voorzien van voldoende spiritualiën, gevuld met kuieren en luieren in de zon en op de steiger naar de boten en de vissen kijken. Tegenover ons ligt een 30 voeter van Franse makelij, waarop een jong echtpaar (eind twintig begin dertig?) met twee kleine kinderen (4 tot 6 jaar). Al vóór wij gingen fietsen had zij mij complimenten gemaakt (met onze boot) en gevraagd of zij binnen een kijkje mocht nemen. Dat mocht. Ik vroeg toen: met mijn vrouw erbij? Ja, zei zij lachend, want ik neem mijn man ook mee! Dat was jammer of het beloofde veel; het is maar net hoe je het uitlegt. Het moment wasaangebroken en zij klommen aan boord. Ook zij waren helemaal verliefd op het Koopmans concept; noemden dit nou “echt hun droomboot”. Ik was het roerend met hen eens. Het aangeboden drankje sloegen zij af en na enkele gebruikelijke “persoonlijke situatie vergelijkingen” omtrent vakantie gebruiken, vrijetijdsbestedingen, opvoeding, pensionering, e.d. (“oh ja, jullie wel? Nou wij niet, nou ja, misschien ook, maar dan later of eerder”) verlieten zij ons schip met een, ons toch nog redelijk verbijsterende mededeling dat zij gingen stoppen met zeilen. Behalve een pannekoek, bier en ijs op het terras boven op het sluisje (allemaal voor Ingeborg, hoor!), beleefden wij vandaag verder geen avonturen meer.
Eenendertigste dag, maandag 23 augustus 1999
Het is de eerste dag van de laatste week van deze vakantie. Voor het eerst boodschappen gedaan met ons nieuwe steekkarretje. Het was een eind lopen naar de Edah en weer terug maar we waren 08.30 uur weer terug bij de boot. Brood gehaald bij een bakkertje vlakbij de haven. Om 09.00 uur gingen wij liggen draaien voor de uitgang. De havenmeester zette de brug open en weg waren wij. Het hijsen in de vaargeul ging niet zo goed. Ingeborg waarschuwde mij al voor de snelle stroming die ons de kant in zette. Met de boel half omhoog moesten ik voor het oog van een drukke boulevard een soort stormrondje maken om niet op de keien van één van de strekdammen terecht te komen. Ingeborg: “zie je nou wel, eigenwijze kloothommel! Jij altijd met je vlak langs de kant te varen!” Motorzeilend malen wij een tijdlang tegen de stroom in. De zon schijnt en er lijkt weinig wind te staan (dank je de koekkoek, met die hoge duinen). Eenmaal Zoutelande voorbij krijgen we de stroom mee en komen langs de vuurtoren van Westkapelle, alwaar wij tevens stuurboord uit een noordoostelijke koers gaan voorliggen. Daar komen we achter de lij van de kust die naar het oosten afbuigt, vandaan en dat merk je meteen. Het blijkt helemaal niet zo rustig te zijn. Klopt ook wel met het weerbericht van Niton radio: noordoost 3 tot 4, toenemend tot 5, later 6. Het is nu dus wel 5. Naarmate we verder uit de kust komen, neemt het slaan en afremmen in de korte maar steeds steiler en hoger wordende golven toe. Onder 1x gereefd grootzeil, gereefde genua en de kotterfok proberen we omhoog te kruisen. Op één of andere manier lukt het niet om snelheid en hoogte te behouden en een comfortabel gevoel te krijgen. Het zou pas comfortabel worden als we een koers gingen voorliggen die ons uiteindelijk (weer) in Engeland zou doen belanden. Wij kiezen daar nu niet voor. De wind neemt nog toe en met de stroom op de kont is dat niet zo lekker. En we waren nog wel zo ambitieus in onze doelstelling: we wilden naar Scheveningen of misschien zelfs IJmuiden. In deze kermis hadden wij echter geen trek en bij de “hoe-heet-die-ook-weer”- ton besloten we aan te houden op de Roompot en naar Zierikzee te gaan. Het duurde flink lang voor het was gedaan met het slaan; pas in de lij van de Oosterschelde dam werd het beduidend minder. De schuiven van de waterkering waren gesloten wegens onderhoudswerkzaamheden. Geen stroom op de Oosterschelde dus. We konden zo doorvaren de Roompotsluis in. Er waren niet veel schepen. Prachtige, grootse voorzieningen zijn dit toch eigenlijk; ik krijg opeens de notie dat aan de gehele zuidkust van Engeland niets te ontdekken is wat ook maar enigszins vergelijkbaar is met deze werken. Bij nadere reflectie: het is maar wat je mooi vindt natuurlijk: fraaie technische hoogstandjes in beton en staal uitgevoerd in een kunstmatig vormgegeven milieu om een natie droog en overeind te houden, of: fraaie kliffen en romantisch beboste en lieflijk glooiende, groene heuvels “besprenkeld” met dorpjes in pasteltinten en gevat in een oeroude natuurlijke zetting! Kiest u maar. De zon schijnt nog steeds vriendelijk en het is 15.30 uur als wij Zierikzee binnenvaren. Zierikzee is een plaatsje waar wij graag komen. Het heeft een fraaie kern met gezellige winkelstraatjes en een sfeervol plein in het centrum. Wij kopen daar altijd graag Zeeuwse Bolussen, zo ook nu. De gemeentehaven ligt behoorlijk vol. Gelukkig treffen we een mooie plek aan de kop van de drijvende steiger die onder aan de kade ligt, vlak achter het drijvende tankstation. Korte tijd later komt een trimaran met slechts één opvarende tegen ons aan liggen. Dat scheelt in elk geval een hoop geloop over dek, want het ding neemt drie plaatsen in de breedte in. De schipper is op weg naar het IJsselmeer voor wedstrijden. Na het eten, bestaande uit Hollandse frieten, mayonaise, piccalilly, ei, salade en dergelijke, bellen wij het thuisfront. Marijn is thuis. Hij heeft samen met Maaike gekookt. Goed zo. Zo te horen maken zij het nog steeds allemaal goed; dat is een bevredigende gedachte.
Tweeëndertigste dag, dinsdag 24 augustus 1999
Om 09.00 uur vertrekken wij uit Zierikzee voor een heerlijk dagje rielekst motoren en zeilen naar Hellevoetsluis, althans, daar wil ik vanavond zijn om vandaar morgen de sprong naar IJmuiden te maken. Vandaag krijgen we over de Navtex het weerbericht van Cullercoats Radio: oostelijke tot noordoostelijke winden 4 tot 5 Bf met wat regen en een goed tot matig zicht. De lucht is half bewolkt, de zon komt nu en dan tevoorschijn. Na de Oosterscheldebrug zeilen wij een tijdje ongereefd kruisend door de vaargeul naar de Keeten en het Mastgat. Met deze wind hebben we iets teveel zeil staan, maar zijn te lui om er iets aan te doen. In het Mastgat zijn we het overstaggen zat, rollen de genua in en varen onder “steunzeil” naar de beruchte Krammersluizen, één van de vele flaters van Neelie Smit-Kroes. Zonder schade komen wij door deze pijpenla heen (dat is namelijk niet vanzelfsprekend, zie je) en krabbelen tegen de wind in omhoog naar de Volkeraksluizen. Ook deze nemen wij probleemloos en het Hollandsch Diep ligt voor ons. Bij de Haringvlietbrug gaan wij een half uurtje voor anker naast de vaargeul in afwachting van een bediening. Da’s al weer een tijdje geleden dat de spijker de grond in ging! Eenmaal door de brug kunnen wij eindelijk weer zeilen! Dat had je gedacht, broeder! Tot het eind van het eiland Tiengemeten, dat nu geleidelijk weer aan de natuur wordt prijsgegeven, gaat het nog, maar dan is het ook echt op. Krijg nou wat, dat heb ik weer. Na een dobberronde gaat “de plof erbij” tot Hellevoetsluis, waar wij in het stadje langs de kade gaan liggen. Een lange wandeling over de vesting voert ons naar de Heliushaven waar wij met een half oog kijken of Arie Jan met zijn Black Lady soms al terug is. Die haven is echter zo groot dat je een halve dag bezig bent met alle steigers af te lopen en daar beginnen wij niet aan. Temeer niet daar Ingeborg in “grote nood” komt te verkeren en alle toiletten voor ons niet toegankelijk zijn! Wij kiezen althans niet voor een ingewikkelde zoektocht (een “queeste”) naar codes en dergelijke, hetgeen in dat soort situaties altijd tot ongelukken leidt. Op de terugweg komen wij door een ongegeneerd luxe woonwijk met uitsluitend vrijstaande villa’s in vele vormen en afmetingen. Eenmaal aan boord schiet Ingeborg “een gat in de pot” en kan de avondviering een aanvang nemen. Tot bijzonder laat blijven wij in de kuip genieten van onze olielamp, hapjes en bier, waarbij ons, nu het einde van deze vakantie nadert, een gevoel bekruipt van reeds bezig te zijn aan een inleiding tot (een reeksje van?) galgemalen. Zouden wij morgen IJmuiden halen? De spanning van het huiswaarts keren begint zich nu ook te manifesteren. Er is een zeker, welbekend, dualisme: we willen graag naar huis en hadden graag ook nog even door willen gaan. Kennudat? De laatste weerberichten wijzen er op dat het morgen zuidoostenwind gaat worden. Dat zou fijn zijn! We zullen wel zien.
Drieëndertigste dag, woensdag 25 augustus 1999
Broodjes van de bakker op het pleintje vlakbij de brug. Het pleintje stinkt nog van de drukte van de avond ervoor. Ontbijtje en om 08.30 uur het Haringvliet op naar de gelijknamige sluizen. Met nog twee jachten en een zandschip worden wij naar de buitenkant geschut en de zeilen kunnen weer omhoog. Het gaat voorlopig niet hard. De wind is wel goed, zuidoost ten langen leste, maar we gaan plat voor de wind. Ik mis weer die verdomde spiboom, maar ik weiger de gietijzeren telefoonpaal van Koopmans op te pakken. Niettemin besluit ik dat we lekker gaan, met stroom mee het Slijkgat uit. Bij de SG 8 boei gaan we rechts uit de flank naar de Maasvlakte Noord boei en dan zet de Wing IV de sokken er nog eens in: met halve wind op ongereefd grootzeil en Genua I loopt zij 7 knopen door het hier nog tamelijk vlakke water. De stroom zou tegen moeten staan, maar dat is maar zeer weinig: we varen volgens de GPS heel vaak bijna 7 knopen over de grond. Het is prima weer, warm bijna. De zon wordt af en toe slechts omfloerst door lichte wolkenflarden. “Oh god, kon dit maar duren” (niet bidden, niet bidden, want dan word je geheid gestraft!!). Om 12.00 uur waren wij dwars van “De Hoek”. Scheepvaart van enig belang was er niet en we zetten de koers wat scherper in naar de kust, richting Scheveningen. Halverwege Scheveningen kreeg ik de ingeving die ik al zo vaak heb gehad: mijn zwager Jack en diens vrouw Olga (zuster van Ingeborg) in Katwijk aan Zee bellen dat ik langskom en of ze trek hebben even een biertje te komen drinken. Ingeborg sputtert tegen, maar ik ben onverzettelijk, vandaag gaat het gebeuren: we gaan voor anker voor onze “bloedeigenste blanke top der duinen”, deining of geen deining. Verdomd, Jack is thuis en wij spreken af dat hij bij de Watersportvereniging aan de zuidkant van Katwijk op de vloedlijn gaat staan, waar ik hem met Lodestar ga oppikken. Olga is er helaas niet. Zo, dat brengt tenminste weer leven in de brouwerij en het is een leuke onderbreking van de rit naar IJmuiden, want uren naar de Nederlandse kust gluren geeft op den duur een “streep door het beeld”. Circa 15.00 uur zijn wij dwars van het afgesproken punt. De zeilen bijtijds weggenomen, het anker op ongeveer tweehonderd meter van het strand in drie meter diep water gedropt en de bijboot, die tamelijk zacht was, is zo gestreken. Jack konden wij in zijn zwembroek zien staan zwaaien. Hij had zijn kleren in een tas onder de arm. Met de buitenboordmotor op het bootje was ik in een wip bij Jack. Hij klom een eindje uit de kant met een natte kont in de rubberboot en na de hartelijke begroeting tuften wij naar de Wing IV. Er stond een aanzienlijke deining maar dit was alleen maar een reden om uiterst voorzichtig te werk te gaan bij het van en aan boord klimmen. Ingeborg voorzag ons van bier en we ouwehoerden er een tijdje gezellig op los. Ondertussen kruiste tussen ons en het strand in een garnalentrawler over de banken. Alles bij elkaar vond ik het een vreemde gewaarwording hier zomaar te ankeren.
Het feest kon helaas niet lang duren, omdat wij toch nog even van de stroom mee richting IJmuiden wilden profiteren. In een mum van tijd stond Jack ons op het strand weer uit te zwaaien en probeerde ik met een gesloten benzinekraan terug te motoren, hetgeen resulteerde in een moeizaam roeitochtje. Dit was leuk. Eenmaal weer onder zeil vernamen wij over de marifoon dat om 19.00 uur vanaf de zuidelijke Noordzee langs de kust een onweersstorm zich zou ontwikkelen naar het noorden toe met ongekende windsnelheden in de buien. Het liep ons onmiddellijk “dun door de broek” want wij zaten precies in de te verwachten baan van de storm en dat is teveel van het goede. De motor ging erbij en met astronomische snelheden (8 tot 9 knopen over de grond) vlogen wij op IJmuiden af. Dankzij deze maffe snelheden kwamen wij precies om 19.00 uur tussen de pieren. We kozen voor de dure passantenhaven, Seaport Marina genaamd, omdat het niet was uit te sluiten dat wij morgen “om de Noord” het IJsselmeer gingen opzoeken (een mens mag ambities hebben, nietwaar?). Onderweg was achter ons de lucht al behoorlijk aan het dichttrekken met asgrauwe tinten; wind kwam er gelukkig niet uit. Seaport deed haar reputatie weer eer aan: veel passanten en geen vaste liggers want de haven was voor de helft leeg (het zou kunnen dat die andere helft op de Noordzee “een stukje aan het zeilen was”, maar dat leek mij toch niet waarschijnlijk met het vigerende weerbericht!). Men was druk doende met voorbereidende werkzaamheden voor de HISWA te water; is de haven dit jaar tenminste weer 1 week vol! Het duurde niet lang of we lagen veilig met de kop in de (te verwachten) wind tussen de palen en de steiger. Irritant was wel dat wij een half uur moesten lopen voor we de steiger af waren en konden voldoen aan onze financiële verplichtingen tegenover de uitbaters van deze nautische inrichting. Verder ben ik van mening dat ze op alle steigers om de 50 meter bakken met ijsblokken moeten neerzetten. Niet zeiken joh!, je bent nog steeds met vakantie. Zo is dat. Des nachts om 02.00 uur kwam ie! Hele korte bijzonder krachtige windvlagen, maar te kort om veel te vernielen, en uitzonderlijk veel bliksem. Zoveel licht heb ik tijdens onweer maar zelden meegemaakt. Het maakt dat wij weer een korte nachtrust hebben, wij waanden ons in het noorden van Noorwegen.
Vierendertigste dag, donderdag 26 augustus 1999
Als je nu bedenkt dat wij om 07.00 uur op waren en het weerbericht van dien aard was dat er heel veel discussie en aarzeling aan te pas kwam om te komen tot het besluit definitief te kiezen voor het bestormen van de IJmuider zeesluizen, begrijp je enigszins hoe dik de atmosfeer was tot 11.00 uur, het moment van vertrek. Vóór het zover was hadden wij echter ontdekt dat de Wervelwind van Aad de Koning in de haven lag en zagen wij achter elkaar binnenkomen de Halcyon met Peter van Gerven met Kees Veld in zijn kielzog. Die zijn vannacht door die lekkere buien heen gevaren! Ik vraag mij werkelijk af wat die lui meegemaakt zullen hebben. Tot 11.00 uur zijn wij zelf echter te zeer bezig met douchen, ontbijten, schrijven en “zullen we wel of niet Om-de-Noord spelletjes” om hen met deze vraag te benaderen. Zij zullen bovendien wel even genoeg hebben aan zichzelf. Later in Edam vernamen wij van Kees dat zij in één ruk waren overgestoken vanuit Ramsgate en in de onweersbuien geen “beaufortje” wind hebben gehad maar wel een goed verlichte platgeslagen spiegelgladde zee waarbij hun haren door de statische electriciteit af en toe recht overeind stonden en zij soms niet goed wisten of de zee nou boven of onder hen zat. Vóór en in de sluis treffen wij de Wervelwind met Aad de Koning en zijn vriendin Hetty, leuk hen weer eens te zien. Op het Noordzeekanaal helpt Aad mij met een vervelend lek in de uitlaatbocht door mij onder het varen een stuk kneedbaar staal of epoxy te overhandigen, waarmee ik het probleem onderweg kan oplossen! Aad en Hetty gaan naar Durgerdam, misschien zien wij hen daar vanavond nog. Een zwaai en een roepgroet en we zijn weer op ons zelf, want wij gaan bij Bruynzeel het zijkanaaltje in naar Sleepvaartbedrijf Desta van mijn zwager Willem en zuster Joke, die zich overigens vooral toeleggen op het bouwen van luxe woonarken (die ze dan vervolgens kunnen verslepen ziet u!). Naast de werf van Klaas Mulder (Vetus Boat Equipment) en tegen één van de sleepboten (de “Desta”, naar ik meen) van Willem meren wij af. Joke en Willem vangen ons op onder allerhartelijkste begroetingen over en weer. Pa (84, fulltime manus van alles in dienst van zijn zoon!) en Ma Wolschrijn, de ouders van Willem, zijn er ook plus wat klanten en/of bevriende relaties.

Het bedrijfsterrein van Willem en Joke.
In het zonnetje op het terras vóór de kantine wordt het van 14.00 uur tot 16.00 uur nog heel gezellig. Maar aan alle gezellige dingen komt een eind. We moeten verder, de wind trekt flink aan. Het wordt 6 Bf uit het zuidwesten. Bedankt luitjes, voor de gastvrijheid! Onder de aandrijving van de Genua I over het resterende deel van het Noordzeekanaal langs de Voorzaan het, na zoveel jaren vertrekken en weer thuiskomen, zo langzamerhand vertrouwde Amsterdamse IJ op. Er is weinig scheepvaart. De mensen op de pont kijken met lege ogen op ons neer. Het is ons deze dag vreemd te moede; het voelt tegelijkertijd fijn thuis te komen en jammer weer thuis te zijn. Wat nooit vertrouwd is geweest (zie pagina 3 van dit verhaal) en nooit zal worden ook, is het afmeren in de Oranjesluizen. Terwijl wij onder een blakerende zon en een blazende zuidwestenwind vanaf de jachten parkeerplaats aan bakboord moederziel alleen de middelste sluiskolk invaren, presteer ik het om met harde wind op de kont eerst aan stuurboord aan te leggen, waarbij ik vergeefs tracht aan de achterlandvast met één hand tien ton boot af te stoppen, hetgeen een verbrande rechterhandpalm oplevert, om vervolgens aan de bakboord sluismuur terecht te komen waar wij ternauwernood de boot vast konden knopen. “What was I thinking?” Het zelfvertrouwen liep (weer) een gevoelige knauw op. Het Amsterdamse sluispersoneel bleef, geheel tegen hun natuur, van begin tot eind discreet op de achtergrond. De Schellingwouderbrug zou pas laat weer draaien. Wij voelden weinig voor zo’n lange wachtperiode en kregen zin hier ons laatste uit-etentje van deze vakantie te plegen en wel in restaurant De Kievit op de dijk. Derhalve besloten we in het jachthaventje van Schellingwoude te gaan liggen. Achter een mooie Nauticat met een Vuttend echtpaar aan de buitenste steiger legden wij aan. Na een (zgn.) grappig woordensteekspel – “slap lullen” staat in mijn scheepsjournaal – met de gelegenheids havenmeesteres (die 74 jaar was, maar die ik ervan beschuldigde dat zij slechts 54 was, met als hoofddoel haar te paaien en vervolgens te doen afzien van het vragen om een financiële bijdrage, van welke actie ik echter onmiddellijk spijt kreeg omdat de bijdrage die zij vroeg zo laag was, dat het schaamrood mij naar de kaken steeg) gingen we lekker uit eten in De Kievit. Een restaurant dat wij een ieder kunnen aanbevelen want zij serveren daar hele lekkere spullen en het toilet is er ook prima in orde. Oké, oké, hou maar op, ik zal het voor de verandering eens een keer niet hebben over wat het allemaal heeft gekost (sic).
Vijfendertigste dag, vrijdag 27 augustus 1999
Cullercoats, 08.48 uur: zuidwesten wind 4 tot 5 Bf, regenbuien maar die sterven uit (“dying out” zegt het scherm). Het zicht wordt goed. Mooi, een prachtig uitgangspunt voor een wandeling, als een soort uitsmijter van deze vakantie, naar Nieuwendam, de buurt waar ik geboren ben. Man, man, wat een nostalgie; na het ontbijt eerst langs de Schellingwouderdijk gewandeld en Ingeborg lopen vervelen met opgewonden, om niet te zeggen enigszins zenuwlijderige oprispingen als: “kijk daar speelde ik met buurjongen B. langs de IJ-kant, aardappelen jattend op het land van boer K., daar hebben de broertjes W. gewoond, dat was de zaak van kapper K., bij deze club heb ik 3 jaar gevoetbald (als “welpje 3 of 5”) etcetera etcetera”. Gelukkig voor Ingeborg bereikten wij al snel via een voetpad achter de Schellingwouderbreek langs (“kijk, dáár verzoop R. zowat in een duiker onder de snelweg en dáár hebben wij geschaatst; opa leerde het ons achter een stoel en dáár kreeg ik een spijker in mijn voetzool bij het vlotje varen, dat stuk riet daar hebben wij eens in de fik gestoken, waarbij een heleboel eendenesten zijn verbrand etc. etc.”) het Waterlandplein in Nieuwendam Noord, waar wij gezamenlijk herinneringen hebben liggen: ons eerste samenwoonadres op de tweede verdieping van de “torenflat”; daar hebben wij getraind voor het huwelijk dat wij nu hebben. Nu wilde het lot dat Ingeborg in de aanloop naar het aldaar aanwezige winkelcentrum in toenemende mate fysiek werd belast met het idee dat zij, om genante taferelen te voorkomen, zich dringend diende te ontlasten. Dit was echter makkelijker gezegd dan te volvoeren: er was op dit onzalige uur nog geen horeca-gelegenheid open en ondanks het presserende karakter van het noodgeval was Ingeborg niet te bewegen een detailhandel binnen te stappen (die waren wel al open) en de detaillist te vragen gebruik te mogen maken van het privé. Na veel speuren en steeds ongemakkelijker voortbewegen vonden wij een cafetaria aan de buitenkant van het winkelcentrum dat wél open was en ik ging daar een kopje koffie drinken terwijl Ingeborg “met zichzelf in gesprek ging”. Na beiden aan onze trekken te zijn gekomen werd de wandeling voortgezet door mijn ouwe buurtje: via het Purmerplein, de Monnickendammerweg, waar nu asfalt ligt in plaats van de vertrouwde straatklinkers van weleer, terug naar de speeltuin (althans: dat was het vroeger, nu lijkt het een hermetisch afgesloten soort themapark) langs de Schellingwouderbreek. Door de Oterleekstraat gelopen, de straat waar ik geboren ben: naambordjes gelezen, alle vertrouwde namen: Schoen, Kramer, Suurendonk, Selier, Brandenburg, Lukkien, Duinker, allemaal weg. De huizen zijn nog wel hetzelfde, op de kunststoffen kozijnen na. Er waren in de hele buurt geen oude bekenden meer te zien. Ik heb nog even in gedachten gestaan bij het oude fietsenschuurtje waar ik dierbare herinneringen heb aan de “zedelijke handelingen” die ik, als elke pré-puber worstelend met de ontluikende sexualiteit, met buurmeisje E. veertig jaren geleden heb uitgevreten (niet zeuren jongens, ik ben al 27 jaar met Ingeborg getrouwd en er is verder niets aan de hand!). Een passerende bejaarde buurtbewoner keek ons tijdens deze overpeinzingen argwanend aan. Hij moest eens weten; gelijk heeft ie. Via de voormalige Jan van Nassauschool, waar ik zes onvergetelijke jaren Christelijk Lager Onderwijs heb genoten (nu zit er een school voor vechtsport in: Meester Schaap die zo indrukwekkend op zijn orgeltje kon rammen, zou zich in zijn graf omdraaien als hij dat wist!), over de Nieuwendammerdijk naar het viaduct aan het begin van de Schellingwouderdijk. Dit bouwwerk zou in het hedendaagse televisieprogramma “Over de Balk” van Veronica, dat kapitale blunders van overheid en bedrijfsleven behandelt, nietmisstaan. Om 11.15 uur waren wij weer terug op de haven en gooiden snel los. Vlot door de Schellingwouderbrug en het Markermeer op, maar niet eerder dan nadat wij moesten constateren dat je op het Buiten-IJ aan stuurboord niet te ver naast de tonnen moet varen want dan zit je met 1.10 meter ook al snel aan de grond! We varen lekker bij een zuidwesten wind 4 tot (later) 5 Bf praktisch voor de wind met een snelheid van 4 tot 5 knopen onder grootzeil en Genua I (zonder spiboom, weet u nog wel?), richting Paard van Marken. Als we bij het Paard zijn en opsturen richting Hoorn begint de Wing IV te galopperen: snelheden van 7 knopen en meer zijn aan de orde tot de eindstreep! Het blijkt dat wij bij een knik in de schoot op bij-de-windse rakken of, bij nog meer wind, op halve windse rakken toch niet zo snel zouden moeten reven als ik tot nu toe altijd wel deed. Het schip kan het hebben en bereikt dan zijn optimale snelheden, ook hier op het relatief ondiepe IJsselmeer. Om 15.15 uur bereiken wij Hoorn en gaan voor anker in de kom. Het bootje gaat te water en we doen ons aan de wal tegoed aan gebakken vis met saus en een ijsje. Op het gevangeniseiland gaan we kijken of er bramen te plukken zijn. Dat houdt niet over en het stinkt naar pis als je op het pad tussen de bosjes loopt. Met het bootje varen we ook nog even de jachthaven in om te kijken of Aad er is. De Wervelwind ligt er wel, maar hijzelf is er niet. Gek, het is toch het startmoment voor de 24-uurs race. Wie wij wel tegenkomen is Edwin, een broer van Aad, die na een aantal botte vragen mijnerzijds in scheiding blijkt te liggen dan wel gescheiden is vanwege het feit dat hij veel, te veel, graag of te graag, altijd of meestal zeilt en dan vooral wedstrijden. Hij blijkt ook nu de 24-uurs race te doen. Wij wensen hem succes en blobberen terug naar ons schip. Als wij terugkeren zien wij dat een “asociaal” zijn 40 tons Deense kotter (waar de scheepvaartinspectie een keertje een bezoekje zou moeten brengen, zo’n gore uitstraling als dat ding heeft) op 20 meter naast ons ten anker heeft gelegd, zodat bij draaiende winden ongelukken ongetwijfeld niet zullen uitblijven. Er is niemand aan boord, zodat ik geen andere oplossing zie dan mijn schip te verhalen. Als we goed en wel liggen, zien wij Ger en Ria met “Her Ladyship” (een Friendship 35) binnenkomen en zij gaan schuin vóór ons voor anker. Ger heeft een Aluminium Fortress anker dat hij een paar keer in het rond slingert en hem als een soort vislood vóór zijn schip in het water gooit. Dat lijkt mij ook wel wat, zo’n anker. Na het avondeten en de drukte van de start van de 24-uursrace komen zij bij ons aan boord om het schip te bekijken en een borrel te drinken. Het gesprek komt al gauw op Denemarken. Zij zijn inmiddels al jaren min of meer verslingerd aan dit reisdoel. Zij beschrijven ons in geuren en kleuren de prachtige vaargebieden en landschappen die je daar kunt aantreffen. Ger biedt ons zijn Hafenhandbuch van de Oostzee en een boek over Deense ankerplaatsen te leen aan. Na een zeer geslaagde avond breng ik hen met Lodestar naar hun schip terug en neem de beloofde boekwerken mee terug. Wij hoeven ons deze winter niet te vervelen. Het is inmiddels hartstikke donker als wij ons “nest” opzoeken.
Zesendertigste dag, zaterdag 28 augusutsus 1999
Het is 09.30 uur. Geen wind, alles gemoterd naar de thuishaven Edam. Op het klapfietsje naar Ilpendam, langs ma, kinderen gekust, auto gehaald, terug naar Edam, zoveel mogelijk bederfelijke waar in de auto proppen en naar huis. Na 1.200 zeemijlen en 136 motoruren is de vakantie voorbij; het is echt afgelopen; niet te geloven.
Zevenendertigste dag, zondag 29 augustus 1999
Het is best wel mooi weer. Koffie drinken met Oma in de achtertuin. Gerrit de Reiger staat op zijn balk, het piepschuim tiert welig in de sloot. Hier, onder de parasol, is het leven goed.
Thuis achter in de tuin
Epiloog
Thuis is alles nog heel. De kinderen zijn weer een stuk volwassener geworden. Zuid Engeland is prachtig maar voorlopig wel gezien. Wij moeten beslist ook s’nachts leren zeilen. Een koolstoffen spinnakerboom is werkelijk een noodzakelijk hulpstuk. Een windvaanstuurinrichting zou fijn zijn. Ik wil ook davits voor de rubberboot. De boiler lekt; een nieuwe is aan de orde. Een radio-cd speler aan boord is ook niet te versmaden. Ik denk dat ik nieuwe kussens voor de banken neem. Er moet een extra anker komen; dat zal wel een Fortress worden aan net zo’n lijntje als Joep heeft. Ik denk dat Ingeborg volgend jaar een boel leuke cadeautjes krijgt voor haar verjaardag. De vermiste lierhendel bleek niet gejat, doch vond ik in december onder in de stuurboord bakskist. Ik heb ook nog een klussie voor Jan Groot. Voorts zal ik deze winter nadenken over de keuzevraag: stoppen met de watersport of stoppen met zeiken over de kosten ervan. Volgend jaar gaan wij naar Denemarken. WB.
-o-o-o-o-o-o-o-o-














